Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet E. 0. — Alg. Begins. XVII.

579

De rechterlijke macht heeft niet haar oordeel over wat al dan niet wenschelyjk is voor het algemeen belang, te stellen in plaats van dat der staatsorganen, wier eigenaardige taak juist is gelegen in de beoordeeling hiervan en in de beslissing wat dientengevolge

het staatsrecht ziet. En het komt mij voor dat zij, die dit ontkennen, het gelijk aan hun zijde hebben. Zie A. de Pinto in Themis 1863 p. 371 jis. 363—369; J. A. Fruin in N. Bijdr. 1865 p. 429—458; G. Belinfante in Themis 1873 p. 137—179 (bij p. 151—152 aldaar vgl. Noordziek, Gesch. der Beraadsl. I, 1 p. 150 v. b.); P. v. Bemmelen in R. B.-en B. 1885 A p. 7--30 = Regtsgel. Opstellen I (1891) p. 188 (198)—206; L. de Hartog in Bijdr. St.-best. 24 p. 204; Buys, De Grondwet I p. 641 ; uit D. Léon's nagelaten geschriften in Themis 1888 p. 142 en 153—154; Kon. Besl. 25 Apr. 1873 B. v. St. 13 p. 172; Hof Leeuw. 21 Dec. 1881 W. 4740, R. B. 1882 D p. 10, en het vonnis a quo Rb. Leeuw. 29 April 1880 W. 4552, W. B. A. 1637. — Anders echter H. R. 27 Maart 1863 W. 2471, R.spr. 73 § 51, v. d. Hon. B. R. 27 p. 325, het arrest a quo Hof Friesl. 25 Juni 1862 W. 2409; de concl. O. M. vóór Hof Friesl. 27 Juni 1860 (W. 2208) in W. 2185, en het vonnis in eersten aanleg Rb. Leeuw. 15 Nov. 1859 W. 2136; vgl. ook concl. O. M. vóór H. R. 21 April 1890 W. 5870; Opzoomer, wet Alg. Bep. 4e ed. (1884) p. 8—25 en 84—102; DlErnuis, Ned. B. R. I, 2e ed. (1885) p. 22—24 — alwaar ook oudere litteratuur wordt opgegeven—, en p. 98—106; Red. (A. A. de Pinto) in W. 6429 p. 4 kol. 1; Land, Inleid. B. W. (1899) p. 175—176 en 191-192; Asser-Scholten, Handl. N. B. R. J, 4e ed. (1908) p. 33—34 (tegen de daar gebezigde argumenten vgl. v. Bemmelen Regtsg. Opstellen I p. 199—200, 202, 203).

Vgl. voorts ook de opmerkingen bij v. Bemmelen in N. Bijdr. 1868 p. 269 v.o. en bij Asser—Scholten 1.1. p. 7 en 49—50, die haar —zij het misschien slechts betrekkelijke — waarde ook dan behouden, als men er den nadruk op mocht willen leggen dat het hier geldt een aangelegenheid rakende het beleid der justitie, zoodat zij betreft de wet op de R. Org. en het beleid der justitie, mede behoorend tot de codificatie die, door art. 163 Grw. 1815 (nu art. 150 Grw.) bevolen, beheerscht wordt door de wet Alg. Bep. — Overigens is die aangelegenheid dan toch niet een onderwerp bij de wet B. O. geregeld (vgl. \. Bemmelen in N. Bijdr. 1868 p. 267 vlgg., en in R. Opstellen I p. 188; zie ook het geciteerde Grondwetsartikel). En als over het algemeen staatsrechtelijke gewoonten niet worden getroffen door art. 3 wet Alg. Bep., doch daarvan enkel die in de stollen, waarop de codificatie betrekking heeft, dan is art. 3 ook ten deze niet toepasselijk.

Dat de in den tekst bedoelde rechtsovertuiging, althans tot vóór betrekkelijk korten tijd, de algemeen heerschende was, zal wel door niemand worden ontkend.

Sluiten