Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

582

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

controle op het administratief beleid, als belanghebbenden deze verlangen. Gevolg is dat dan een oncontroleerbaar oordeel of vrij goedvinden ') der administratie tegenover hem vanzelf niet bestaat. Zulk een administratief rechter verricht dan uitteraard mede een administratieve werkzaamheid, al treedt hij niet ambtshalve op 2). — Dat dit stelsel wordt aangenomen, waar de administratie zelf rechtspreekt, is niet meer dan natuurlijk3). Bij ons geldt het thans b.v. krachtens een wettelijke regeling als die der Hinderwet. De Kroon, den Raad van State afdeeling geschillen gehoord, heeft niet enkel te vragen of B. en W. genoemde wet hebben in acht genomen, — maar ook of zij bij hun beslissing juist hebben geoordeeld. Gold voor de toepassing der Hinderwet reeds nu een voorschrift als art. 84 van het Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv., dan zou m.i.4) — gelijk art. 11 der wet nu luidt — de administratieve rechter wèl hebben te onderzoeken, of de bezwaren van B. en W. ontleend zijn aan vrees voor hetgeen dit art. 11 aanduidt, — maar niet of die vrees reden heeft van bestaan. Wèl dus of de vrees van B. en W. betreft5) een gevaar,

Houten in Hand. Jur. Vereen. 1891 II p. 172 j° I p. 56. — Maar voorzoover de uitspraak van het administratief gezag geeft een belanghebbenden bindende beslissing omtrent de voor hen bestaande rechtsverhouding, bevat zij ook rechtspraak. Vgl. M. W. Scheltema Jzn., De Ontvankelijkheid der Admin. Rechtsvord., diss. Leiden 1908 p. 137—159, 169 — 177; speciaal p. 147 j" p. 169. — Bij het hier in den tekst opgemerkte zie ook O. Mayer, D. Verw. recht I p. 166—170 jis p. 188—189.

1) Men zou tusschen deze twee hier nog onderscheid kunnen maken, en het laatste ook in het hier onderstelde geval den administratieven rechter onttrokken kunnen achten. M. i. ten onrechte. Vgl. ook O. Mayer in Archiv für üllentl. Recht 21 p. 47—48. — Zie hierbij Tezner, Zur Lehre p, 110, alwaar deze schrijver op het oog heeft een admin. rechtspraak, waarbij geldt wat het Ontw. 1905 in art. 84 voorstelt.

2) Kriterium van v. Idsinga in Themis 1903 p. 15—16. — Vgl. nader hieronder de noot op p. 592—593.

3) Vgl. hierbij v. Seydel, Bayer. Staatsrecht 2 p. 445, geciteerd in W. B. A. 3113 p. 1 kol. 3.

4) Vgl. hieronder het slot der noot op ji. 584—585.

6) Zie hiervóór no. 5 sub e j°. c.

Sluiten