Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

588 Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

Yan ditzelfde stelsel is ra. i. ook art. 79 lid 2 Ongev.wet een toepassing, immers als men aan „ten onrechte" in gemelde bepaling de gewone ruime beteekenis hecht van „zonder dat het

hieronder in den tekst p. 588—589 met noot 1 gezegde over art. 79 lid 2 jo 67 lid 1 Ongev. wet. In art. 38 zou b.v. óf «zoonoodig» ook kunnen ingevoegd in lid 3, of wel lid 2 geredigeerd: «zoo het dit noodig oordeelt». — Bij invoering van art. 84 Ontw. 1905 zonder wijziging der Ongev.wet op dit punt, kan althans getwijfeld over de ontvankelijkheid eener klacht, waarbij enkel wordt beweerd dat de R. V.-Bank b.v. een onjuist gevarencijfer toewees. Al zeide de wet met zooveel woorden dat het gevarencijfer juist moet zijn, daarmee kon toch niet zijn bedoeld objektieve juistheid, als in deze onbereikbaar. (Vgl. de opmerking van Jellinek, Der fehlerhafte Staatsakt p. 44: «ein Gesetzesbefehl mit unmöglichem Inhalt ist überhaupt kein Befehl des Rechts»), — Nu laat wel niet elke wetsbepaling, bij welker uitvoering het aankomt op de subjektieve inzichten van den uitvoerder, dezen het eindoordeel hoe te handelen. Kan aangenomen dat het voorschrift op het oog heeft, hetgeen de gemiddelde mensch naar de omstandigheden van het gegeven geval er onder zal verstaan, dan is het mogelijk, dit nader vast te stellen. Doch waar, gelijk hier, zulk een appreciatie met kennis van zaken enkel kan geschieden door hen, die t huis zijn in den betrokken tak van dienst, daar is het m. i. aannemelijk dat een wetsbepaling, b.v. voorschrijvend toewijzing van een juist gevarencijfer, hiermee slechts gebiedt de toekenning van het cijfer, dat juist is naar het oordeel der administratie. Dit sluit niet uit dat een rechter hieromtrent nader beslist, doch dan alleen ingevolge een stelsel als dat van art. 77 Ongev.wet, dat tegenover den rechter geen eindoordeel der Bank in die zaken erkent. Anders echter wordt het, zou ik meenen, bij invoering van art. 84 Ontw. 1905 Wb. v. Adm. Rv. Dit, ook al wordt de — naar het mij toeschijnt minder gelukkige redaktie van dat artikel (zie de tweede noot op p. 558 hiervóór) veranderd, met instandhouding echter van de gedachte, die in bedoelde bepaling belichaamd, een der hoeksteenen is van de geheele regeling in Ontw. 1 (vgl. ook art. 183 lid 1). — Daarentegen zal naar dit (dus verduidelijkt) art. 84 ongetwijfeld ontvankelijk zijn een klacht wegens verkeerde indeeling in een gevarenklasse, voorzoover neerkomend op de bewering dat het Kon. Besl. van 18 Juni 1909 Stbl. 189 verkeerd is toegepast. Dan is het geval aanwezig, dat een wettelijk voorschrift niet is Aageleefd tengevolge van verkeerde waardeering der feiten.

Dit voorbeeld toont tevens aan dat dan art. 84 voornoemd geen louter cassatieberoep beoogt. In cassatie toch zou de beslissing, of een bepaald bedrijf behoort tot zekere soort aangeduid in het geciteerde K. B., althans in den regel wel als feitelijk worden geëerbiedigd.

Sluiten