Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6L8

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XVII.

volgens welke van de belastingschuldigen in billijke evenredigheid een bijdrage gevorderd wordt, enz. — is hier (sub a en b; vgl. c) te vermelden de jurisprudentie op de nu vervallen bepalingen der Gem.wet, die met het zooeven geciteerde voorschrift analogie hebben, n.1. artt. 243 lid 1 oud en 254 lid 1 oud:

a. Ten opzichte van art. 254 lid 1 oud Gem.wet is beslist dat het daar bedoelde verbod een regel moest zijn voor den gemeente-wetgever, maar dat de rechter geheel onbevoegd en buiten staat is te onderzoeken, of een gemeenteverordening de bij dit artikel voorgeschreven evenredigheid in acht nam. — Zoo H. R. 26 Maart 1886 W. 5284, R.spr. 142 § 45, v. d. Hon. B. R. 52 p. 80, G.st. 1811 en 1812, W. B. A. 1980, de cassatie verwerpend tegen het in gelijken zin gewezen arrest 's Hertog. 29 Sept. 1885 W. 5205, R. B. en B. IY A p. 134, G.st. 1779, W. B. A. 1898, .bevestigend Rb. Maastr. 27 Dec. 1884 W. 5122, G.st. 1747, W. B. A. 1871. Het Hof overwoog dat de rechter alle hiertoe noodige gegevens mist, die alleen den plaatselijken wetgever kunnen bekend zijn. — Evenzoo H. R. (K. v. Sz.) 25 Jan. 1897 W. 6923, R.spr. 175 § 19, v. d. Hon. Bel. 14 p. 77, P. v. J. 1897 no. 15, tevens beslissend dat de rechter wèl heeft te onderzoeken, of een heffing als art. 238 Gem.wet bedoelt, haar grond heeft in eenig gebruik of genot, dat de gemeente niet kan verschaffen zonder er uitgaven voor te doen. Zoo ook H. R. 6 Dec. 1872 W. 3532, R.spr. 102 § 32, v. d. Hon. B. R. 37 p. 496, contra concl. O. M., waarin ook het laatstbedoelde onderzoek den rechter onttrokken was geacht. Op dit punt evenals de H. R,, de concl. O. M. vóór H. R. 13 April 1908 W. 8695, R.spr. 208 § 82, P. v. J. 757, — en op beide punten Oppenheim, Ned. Gem.recht I, 3e ed. p. 566—567. — Als d'e geciteerde beslissingen ook Ktg. Doesburg 15 Nov. 1876 W. 4060, W. B. A. 1435, bevestigd door Rb. Zutphen 6 Sept. 1877 W. 4165, G.st. 1362, W. B. A. 1482, en Ktg. 's Grav. 12 Sept. 1887 W. 5454, G.st. 1877, W. B. A. 2001 (vgl. W. 5443 p. 4, 5448 p. 4, 5450 p. 4). Dit laatste vonnis is verdedigd door Red. in W. 5454 p. 4, waartegen v. Idsinga in W. 5455 p. 4 ; vgl. antwoord Red. in W. 5455 en repliek v. Idsinga

Sluiten