Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, toet R. 0. — Alg. Begins. XVII.

633

art. 138 Prov. wet, een door den rechter oncontroleerbare beslissing geven hierover, of er al dan niet een waterschap aanwezig is.

Als reden voor de stelling dat de vraag, of er een waterschap is, door den rechter niet mag onderzocht, kan worden aangevoerd dat Grondwet en Prov. wet, aan Prov. Staten opdragend waterschappen op te richten, hun ook overlaten het eindoordeel over de kwestie of het voor een bepaald belang wenschelijk is, een korporatie als waterschap in het leven te roepen, — dit in verband met de historische onbestemdheid van den term „waterschap". Zie op dit laatste punt Hof Arnhem 22 Mei 1907 W. 8582: de waterschapswetgeving heeft nimmer een scherp omlijnde omschrijving van het begrip waterschap gegeven. — Toch schijnt mij de zooeven vermelde stelling bedenkelijk toe. Al is bij Prov. Staten de eindbeslissing over de wenschelijkheid om wel of niet een waterschap in het leven te roepen, volgt dan hieruit dat al wat zij dien naam gelieven te geven, per se ook een waterschap is? Zij hebben door het onbestemde van den term hier een groote speelruimte, maar onzekere grenzen zijn niet hetzelfde als in het geheel geen grenzen. Zou b.v. de rechter, bij oprichting van een waterschap enkel tot onderhoud van een kerktoren, dit als zoodanig moeten erkennen ? Zoo neen, dan verdient in beginsel het standpunt van het O. M. vóór het boven geciteerde arr. H. R. van 1892 de voorkeur boven dat van Sybenga c. s., al zal praktisch het verschil zelden uitkomen. — Genoemde conclusie van het O. M. ging uit van art. 138 Prov. wet in den toenmaligen tekst, en gold de Grondwet van 1848; maar dit is bier niet van belang, omdat het O. M. ook naar die Grondwet Prov. Staten bevoegd achtte waterschappen op te richten. Dit blijkt n.1. uit zijn conclusie vóór een arrest van denzelfden datum: H. R. 24 Juni 1892 W. 6207 p. 1 kol. 1—2, R.spr. 161 § 28, v. d. Hon. B. R. 58 p. 316, P. v. J. 1892 no. 64 p. 2 kol. 1—2.

De H. R., geplaatst voor de vraag of er een waterschap aanwezig was, stelde zich niet op het standpunt dat dit is overgelaten aan het eindoordeel van Prov. Staten, doch onderzocht

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 40*

(Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten