Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet li. O. — Alg. Begins. XVII. 647

Direktie onherroepelijk beslist over bedoeld recht. Bij weigering harerzijds heeft dus de rechter de gegrondheid dier weigering te beoordeelen. — Zoo H. R. 4 Dec. 1868 W. 3066, R.spr. 90 § 25, v. d. Hon. B. R. 33 p. 157, R. B. 1869 p. 641. — Vgl. hierbij Rb. Zwolle 13 Juni 1838 W. 315, een dergelijke uitdrukking in een provinciaal reglement opvattend als de aanwijzing der autoriteit, die eerst huishoudelijk heeft te beslissen, zoodat de rechter hierdoor niet wordt gebonden. — Ygl. verder art. 171 Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv. — Zie ook hiervóór no. 27 sub b, en hierna no. 60.

48. De bepaling eener gemeenteverordening op de brandweer, dat de berekening van het aandeel voor iederen spuitgast in de premie, hem bij die verordening toegekend, geschiedt door den sektie-brandmeester, — brengt mee de niet-ontvankelijkheid der vordering van een spuitgast tot betaling van een bepaald bedrag aan premie, als zijn deel krachtens de verordening. — Zoo Rb. Amst. 3 Febr. 1863 W. 2487, G.st. 614.

4». Zie over het in de liggers van wegen neergelegde oordeel der administratie, hiervóór p. 372 en 374 ja. p. 395, alsmede de daar geciteerden en A. v. Doorninck in R. Mag. 27 p. 555—558.

§ 5.

Eindoordeel over eenige omstandigheid bij reglement, statuut of contract '), al dan niet gelaten aan anderen dan den rechter.

A. Bepalingen van kerkelijke reglementen.

SO. Ten aanzien der vraag, of een door het formeel bevoegde kerkelijk college genomen besluit tot ontzetting uit ambt en lidmaatschap wegens verstoring van orde en rust in de Hervormde kerk, terecht was gegeven (art. 3 lid 2 Regl. kerkelijke tucht van 9 Aug. 1856), is beslist dat de rechter dit laatste punt niet had te onderzoeken: door Hof Leeuw. 29 Mei 1889, p. 340 vermeld. Insgelijks Hof Leeuw. 2 Okt. 1895 en Rb. Utrecht 27 Juni 1888,

!) Vgl. hiervóór p. 225 - 227, 240—241, alsmede op art. 1 R. O. sub G no. 11.

Sluiten