Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, roet R. 0. •— Alg. Begins. X VII.

649

hierna nos. 53 en 56 sub « ene. — Met het arrest van het Hof stemmen in v. Idsinga, Admin. Rechtspraak I p. 39 nt. 2, en H. v. Manen (p. 209 hiervóór geciteerd) p. 132—133. — Ygl. ook Hof 'sGrav. 13 Maart 1899 W. 7296, P. v. J. 1899 no. 63.

53. Dat een bevel der Synode aan een klassikaal bestuur om te doen wat des kerkeraads is, ingevolge art. 18 van het Alg. Regiem, der Hervormde Kerk van 1 Mei 1852 gegeven, door den rechter moet geëerbiedigd zonder beoordeeling der juistheid zijner gronden, waar de competentie der Synode tot het bevel moet aangenomen, — is, wegens art. 61 van gemeld reglement, beslist door Rb. Leeuw., vonnissen van 31 Mei en 28 Juni 1888, beide geciteerd op p. 214, 340 en 487, zie mede op art. 1 R. O. sub G no. 2. Vgl. hierbij ook Rb. Zutphen 21 Juni 1888 W. 5598 en Rb. Zwolle ] 1 April 1888 W. 5613 (jo. 5612), P. v. J. 1888 no. 56.

Naar aanleiding van het hierboven genoemde art. 18 van bedoeld kerkelijk reglement is nog beslist: Nu het reglement bepaalt dat het klassikaal bestuur moet optreden, als wegens gebrek aan geschikt en gewillig personeel geen kerkeraad kan samengesteld, heeft de rechter, wordt voor hem de bevoegdheid betwist van het klassikaal bestuur om aldus op te tre'den, — deze vraag niet zelf te onderzoeken. Zij staat, als betreffende een onderwerp van zuiver kerkelijk huishoudelijken aard, alleen ter beoordeeling van de hoogere kerkelijke besturen, geroepen tot toepassing der kerkelijke reglementen. De machtiging van het provinciaal kerkbestuur aan het klassikale om op te treden, sluit in erkenning der bevoegdheid tot dit optreden, en moet door den rechter geeerbiedigd. — Zoo Rb. Assen 29 Jan. 1866, geciteerd op p. 341— 342 en 487. — In gelijken geest Rb. Zutphen 8 Dec. 1887 W. 5508. Op grond dat art. 18 van het Alg. Regl. en art. 1 van het Reglement op de kerkeraden niet aangeven de wijze, waarop het daarbij bedoelde hierboven omschreven gebrek aan personeel moet geconstateerd, terwijl formeel bewijs daarvoor uit den aard der zaak niet wel is te leveren, — nam dit vonnis aan dat de voormelde artikelen aan het klassikaal bestuur lieten het [eind]-

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 41*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten