Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

664 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVII, XVIII.

Ten opzichte van het onderzoek in cassatie, als niet toelaatbaar ten aanzien der uitoefening eener diskretionaire bevoegdheid van den rechter, die over de feiten oordeelt, zie nader op .art. 99 R. O.

XVIII. Verhouding der procedure bij den rechter tot administratieve behandeling1 derzelfde zaak.

A.

1. a. Dat eischer zich vóór het instellen zijner rechtsvordering (te vergeefs) tot de administratieve macht wendde, kan niet beschouwd als een afstand van zijn recht om hij den burgerlijken rechter te ageeren, maar moet aangemerkt als een poging om buiten eigenlijk rechtsgeding zijn doel te bereiken. — Zoo Rb. Tiel 22 Febr. 1884 W. 5057, W. B. A. 1843, W. v. N. R. 748. — In gelijken zin Rb. Nijmeg. 26 Febr. 1867 W. 2881, G.st. 810, W. B. A. 930.

b. Zoo overwoog ook, naar aanleiding der liggers voor wegen, Rb. Zutphen 10 Dec. 1868 W. 3138, W. B. A. 1073 dat een vordering, bij den burgerlijken rechter ingesteld, noch doordat eerst te vergeefs de administratieve weg is ingeslagen, noch doordat die weg niet tot in hoogste instantie is gevolgd, nietontvankelijk wordt, tenzij de wet dit ineen speciaal geval meebrengt.

c. Zie mede Hof Leeuw. 20 Mei 1891 AV. 6163, G.st. 2119, W. B. A. 2242: Dat men vruchteloos langs administratie ven weg is opgekomen tegen den ligger, waarop een voetpad is geplaatst als zijnde openbaar, kan noch ten gevolge hebben dat door de rechterlijke macht van de vordering, waarbij haar dit geschilpunt wordt onderworpen, niet zou mogen kennis genomen, — noch dat die vordering niet-ontvankelijk zijn zou. — In gelijken geest implicite ook H. R. 20 Jan. 1873, geciteerd op p. 385 v. o.

Sluiten