Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, reet B,. 0. — Alg. Begins. XVIII. 667

instellen van een in de gegeven omstandigheden nutteloos administratief beroep geen berusting is.

». d. Hetgeen door de in nos. 2 en 3 vermelde jurisprudentie is aangenomen, geldt uitteraard niet, als het tegendeel volgt uit eenige wetsbepaling; vgl. Wach (p. 2 hiervóór geciteerd) p. 113. — Zie b.v. art. 16 lid 2 wet 22 Mei 1845 Stbl. 22, over welke bepaling vgl. Hof Amst., arresten van 27 Okt. 1911 W. 9305, W. B. A. 3284, en van 6 Mei 1887 W. 5494, P. v. J. 1887 Bijbl. 45, G.st. 1894; Rb. Amst., vonnissen van 19 Okt. 1908 W. 8960, G.st. 3055 sub 6°, van 1 Nov. 1907 W. 8813, W. B. A. 3121, en van 26 Jan. 1847 W. 842 j\ 792 p. 4, R. B. 1847 p. 550, R.spr. 44 § 98; Rb. Haarlem 30 Maart 1886 P. v. J. 1886 Bijbl. 15; Rb. Utrecht 8 Aug. 1848 R. B. 1848 p. 502; Rb. Gorinchem 23 Jan. .1847 R. B. 1848 p. 55, alsmede Resol. Min.' v. Fin. dd. 3 Sept. 1846 in W. 792 p. 4 (vgl. Léon-de Klebck, Wet Invord. nos. 18 en 22 op art. 16). — Zie ook art. 142 Ontw. 1905 Wetb. v. Adm. Rv., § 31 der Mem. v. Toel., en Bijln. Handn. 2e Kamer 1914—1915 no. 47 (1°.) p. 55—56,62—63.

Ook uit een contract kan volgen dat een vordering niet-ontvankelijk is, als men zich niet eerst tot de administratie heeft gewend; vgl. H. R. 18 Maart 1853 op Alg. Begins. IX no. 13.

Een voorschrift om eerst den administratieven weg te volgen, leidt tot niet-ontvankelijkheid eener met miskenning daarvan ingestelde vordering, niet tot incompetentie der rechterlijke macht; zie Alg. Begins. IX no. 22. Vgl. hiervóór nos. 1 sub c en 3.

ö. e. De rechterlijke beslissingen over de vraag of uit het slot van art. 72 der Armenwet van 1854 voortvloeide, hetzij incompetentie der rechterlijke macht, hetzij niet-ontvankelijkheid der bij haar ingestelde vordering, zoolang niet getracht was de zaak in der minne af te laten doen door de administratieve macht (zie Léon-Cramer no. 6 op dit art. 72; Rb. Gron. 24 Juni 1904 W. 8101, bestreden door Red. in W. B. A. 2893; Rb. Rott. 15 Febr. 1895 W. 6624), — zijn ingevolge art. 76 der Armenwet van 1912 (Stbl. 165) nog enkel van belang om na te gaan hoe

Sluiten