Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

670 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XVIII.

W. B. A. 2504, waarmee instemt Schepel, Waterschapswetgeving p. 315 nt. 1, omdat Ged. St. de toepassing van art. 41 wet 1900 niet mogen verijdelen door langs anderen weg dan dien van art. 38 een waterschapsbestuur te dwingen tot uitvoering van een waterstaatswerk. — In gelijken geest als dit K. B. van 1896 besliste K. B. 22 Febr. 1874 R. v. St. 14 p. 100 jis. p. 34—35, 39, G.st. 1172, W. B. A. 1310 dat Ged. St., zoolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan, niet hun goedkeuring aan de waterschapsbegrooting mogen onthouden wegens het niet uittrekken van een post voor een werk, als in art. 7 der wet van 1855 bedoeld. Vgl. ook hieronder sub b.

b. Daar bij geschil over het al dan niet bestaan van onderhoudsplicht jegens een icaterschap, de wet de beslissing opdraagt aan de rechterlijke macht, hetzij bij wege van strafvervolging, hetzij op verzet tegen een dwangbevel, is de weigering van een hoogheemraadschap om de begrooting van een polder goed te keuren wegens het niet uittrekken van een post voor het onderhoud van een werk, ten aanzien waarvan de strafrechter den voorzitter van het polderbestuur vrijsprak, omdat de onderhoudsplicht niet was bewezen, — een daad van eigenrichting, strekkend om het rechterlijk gezag illusoir te maken, en dus als strijdig met de wet ontoelaatbaar. — Zoo Ged. St. Z.-Holl. 13 Maart 1893 W. B. A. 2290. — Al kan men zich met deze beslissing vereenigen op het motief, hierboven sub a vermeld als door Schepel aangevoerd voor het K. B. van 1896, — het beroep van Ged. Staten op de vrijspraak door den strafrechter, die immers alleen beslist dat beklaagde niet in overtreding was, is m. i. bedenkelijk; vgl. hiervóór p. 310 nt. 1 aanhef jis. p. 302 v. b., 309, 312—313.

139. Het zou in strijd zijn met de grondslagen onzer staatsinrichting, indien het gevolg van door de rechterlijke macht bevoegdelijk gegeven eindbeslissingen afhankelijk zou worden van [de toepassing van] administratieve bepalingen als art. 19 der [oude] Armenwet. Daarom is dit artikel niet geschonden door veroordeeling eener gemengde instelling (zie art. 2d der wet van

Sluiten