Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XIX.

675

dat in een geval van onzekerheid omtrent de strekking van (of wil men een leemte in) artt. 266 en 276 B. W., de rechter den knoop moet doorhakken, en den ambtenaar van den burgerlijken stand ter plaatse, wel niet door den wetgever voorgeschreven, maar toch door dezen gewild, al verzuimde hij de plaats aan te wijzen, — bevelen een inschrijving te bewerkstelligen. In hoofdzaak volgde het vonnis Hof Leeuw. 2 Okt. 1913 W. 9532, N. Jur. 1913 p. 1190, W. v. N. R. 2290 (met noot van P. S.), welk arrest overwoog dat het de taak is van den rechter, hier staande voor een onvolledigheid der wet, aan te wijzen waar de inschrijving moet geschieden in een geval, waaraan de wetgever niet heeft gedacht. — Ygl. nog Rb. Amst. 7 Nov. 1913 N. Jur. 1913 p. 1326, "W. v. N. R. 2294, J. A. Levy in W. 9536 p. 3 en T. H. Fokker in W. v. N. R. 2293. Zie ook op art. 13 wet Alg. Bep.

Bij dit no. 2 vlg. Hof van Cass. in België 31 Dec. 1908Pasicr. beige 1909 1 p. 70, alsmede het volgend no. 3 en nos. 9-10. — Uit het in no. 9 te vermelden arrest H. R. van 7 Mei 1915 is af te leiden dat de door den H. R. bij zijn in dit no. 2 aangehaalde arresten bedoelde stellige oplegging eener verplichting bij wettelijk voorschrift niet juist uitdrukkelijk behoeft te zijn geschied, doch ook implicite in de wet kan zijn neergelegd, mits zij bij logische gevolgtrekking als opgesloten in een wettelijk voorschrift is aan te merken.

3. De, bij een ter competentie der rechterlijke macht staande vordering tot verklaring dat eischers grond niet is bezwaard met den last van openbaren weg en ten onrechte door Ged. Staten op den ligger van openbare wegen is gebracht, als middel van redres tegen bedoelde onrechtmatige plaatsing op den ligger, en ter uitvoering van de principaal geëischte rechtsverklaring, gevoegde vordering dat de rechter de gedaagde provincie zal verbieden zich op den weg eenig recht aan te matigen, en gebieden om op den ligger van 's rechters vonnis aanteekening te maken, — betreft ambtsdaden, door het provinciaal bestuur te verrichten, en is daarom niet-ontvankelijk. Noch de Commissaris des Konings, noch Ged. Staten zijn gehouden om op bevel van den rechter

Sluiten