Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

678

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XIX.

En kan men wel zeggen dat hij daarmee een inbreuk maakt op eischers eigendomsrecht? Zoo neen, dan spruit zijn verplichting om een in dit opzicht begane fout te herstellen, niet voort uit de bepalingen van het B. W. over het eigendomsrecht, maar alléén uit de op dit punt bestaande speciale wettelijke voorschiiften, die, bedoeld als instruktie voor hem *), den eigenaar tegenover den bewaarder geen recht geven op hun naleving. Bij de liggers dei wegen nu, is, zoo zij den eigenaar geen verplichtingen opleggen (hetgeen in den regel wèl geschiedt), de positie van het administratief gezag in zóóver van gelijksoortig karakter als bij het kadaster, dat in geen , van beide gevallen dit gezag, waar het ten onrechte optreedt, noch de rechten van den eigenaar vermindert, noch derden eenig recht geeft, noch ook feitelijke stoornis begaat, al kan er het gevolg van zijn dat derden zulke stoornis plegen; dan echter geschiedt de inbreuk ook door die dei den. Meent men dat uit den eigendom niet de bevoegdheid voortspruit, om in dezen tegen het administratief gezag op te treden, dan loopt het geschil ook niet over eigendom of daaruit voortspruitende rechten, noch over eenig ander burgerlijk recht2), en is dus de rechterlijke macht in vorderingen als hier bedoeld, indien het hiervóór p. 118 v.o. verdedigde juist mocht zijn — zelfs incompetent, tenzij haar competentie uit een speciale wetsbepaling is af te leiden. De eisch tot schadevergoeding echter voert tot een geding over schuldvordering, dat, ook zoo deze als publiekrechtelijk moet aangemerkt, volgens de jurisprudentie van den H. R. valt onder art. 2 R. O. Zie nader op dit artikel.

Intusschen, indien een onjuiste plaatsing op den ligger wèl is aan te merken als inbreuk op het eigendomsrecht, zal de rechter aan de gedaagde provincie ook mogen verbieden zich op den weg in geschil de bevoegdheid hiertoe aan te matigen, een ver-

1) Vgl. ook, ten aanzien van op een ligger vermelden onderhoudsplicht, het op p. 356, 358, 376 en 474 geciteerde arr. H. R. van 19 Febr. -1906.

2) Zie ook de opmerking van Hamaker in li. Mag. 28 (1909) p. 256 over de publiekrechtelijke strekking van artt. 1265 en 1208 R. W.

Sluiten