Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, roet li. 0. — Alg. Begins. XIX. 679

bod dat dan ook voortvloeit uit de verklaring van onbezwaarden eigendom, en die verklaring tot haar recht doet komen. Zie in dezen zin Rb. Utrecht 11 Mei 1910 W. 9267, welk vonnis echter niet-ontvankelijk achtte de vordering om de provincie te gelasten den weg van den ligger te schrappen. Dit op grond dat den rechter nergens de bevoegdheid is toegekend om aan de administratieve macht, met betrekking tot hetgeen door haar wordt verricht ter uitvoering der haar wettelijk opgedragen taak, bevelen te geven, — terwijl die administratieve macht zulk een bevel ontvangend, het onuitgevoerd kan laten, voor zoover dit haar n.1. vrijstaat overeenkomstig de voor haar bestaande voorschriften. — Maar staat haar dit dan vrij, zoo kan men vragen, indien zij krachtens de ook voor haar geschreven voorschriften van het B. W., evenals een partikulier gehouden is de burgerlijke rechten te eerbiedigen, en de rechter haar, weer evenals aan een partikulier, heeft bevolen te herstellen hetgeen mocht zijn verricht in strijd met eischers eigendomsrecht? "Vgl. ook no. 9 hierna. — Omtrent de vraag of een onjuiste plaatsing op den ligger een inbreuk is op den eigendom, is in anderen zin dan bij gemeld vonnis van 1910 geoordeeld in appèl door Hof Amst. 20 of 21 Febr. 1913 W. 9468, N. Jur. 1913 p. 591, G.st. 3225 (10°), W. v. N. R. 2286, en wel omdat naar het betrokken reglement die plaatsing ten opzichte van de openbaarheid volgens het Hof louter de meening van Ged. Staten weergaf, waartegen vgl. Inzender in W. 1.1. In cassatie nam H. R. 13 Maart L914W.9667, N. Jur. 1914 p. 614, G.st. 3291 (7°), W. B. A. 3418, Per. Verz. 1 p. 408, aan dat, met het oog op de bepalingen van het reglement, de plaatsing als inbreuk op den eigendom was aan te merken.

Het bevel tot doorhaling op den ligger van openbare wegen werd wèl gegeven door Rb. Arnhem 19 Sept. 1870 W. 3250, R. B. 1873 p. 36, G.st. 994, waartegen vgl. W. 3254 p. 6, — en door Rb. Middelb. 20 Okt 1880, vermeld op p. 413—414. Zie ook Hof Leeuw. 14 Sept. 1881 W. 4682, R. B. 1882 D p. 5, de gedaagde gemeente verbiedend om een pad als openbaar voetpad aan te merken of te behandelen. — Daarentegen achtte

Sluiten