Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

680 Meid. wet R. O. — Alg. Begins. XIX.

Hof Arnhem 21 Juni 1876 W. 4009, R. B. 1876 D. p. 105, G.st. 1301, W. B. A. 1421 de vordering er toe niet-ontvankelijk, omdat de rechter met zulk een bevel zou treden op het gebied van het administratief gezag. — Vgl. hierbij ook Hazelhoff, Over de competentie der Justitie (1889) p. 46, die, waar hij meent dat art. 1275 B. W. hier van dienst kan zijn, m. i. vergeet dat dit aitikel slechts toepasselijk is op de privaatrechtelijke verbintenis om iets te doen. In zijn noot 1.1. ziet hij over 'het hoofd, dat de daar door hem aangeduide bepalingen juist zulke zijn als b.v. de H. R. op het oog heeft bij zijn in het vorig no. 2 geciteerde arresten van 1905 en 1910.

H. R. 11 Febr. 1863 W. 2458 p. 1—2, R.spr. 73 § 24, v. d. Hon. G. Z. 20 p. 46, R. B. 1864 p. 52 besliste dat de rechter de liggers van wegen, krachtens provinciaal reglement door het administi atief gezag opgemaakt, niet mag verbeteren door aan te vullen hetgeen er z. i. in had moeten zijn opgenomen, maar dat volgens het provinciaal reglement het vaststellen en wijzigen der liggers verbleef bij het administratief gezag.

Bij de jurisprudentie der voorafgaande nos. 2—3 vgl. ook H. R. 14 April 1893, op p. 42 geciteerd. Dit arrest achtte de ïechterlijke macht competent in een vordering tegen den ambtenaar van den burgerlijken stand tot ongegrondverklaring van diens weigering (buiten het geval, voorzien in art. 129 B. W.) om een huwelijk te voltrekken, met bevel tot die voltrekking. Nu de vordering, als in onjuisten vorm aangebracht, niet-ontvankelijk werd geacht, kwam de ontvankelijkheid van den eisch tot genoemd bevel verder niet ter sprake. Vgl. hierbij v. Sarwey, Das öffentl. Recht... p. 296 v. b. — Vgl. nog betreffende huwelijksafkondigingen (art. 107 B. W.): Rb. Brielle 27 Sept. 1871 W. 3396, G.st. 1058, W. B. A. 1177, met overneming der motiveering bevestigd door Hof Z.-Holi. 29 Jan. 1872 W. 3425, v. d. Hon. B. R. 37 p. 202.

5. Een toepassing van het beginsel, uitgesproken door de in no. 2 vermelde arresten H. R. van 1905, 1910 en 1911, ligt ook in het slot der hier volgende overweging:

Sluiten