Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

686 Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XIX.

volgt dó' bevoegdheid van den rechter tot het geven van een bevel aan de administratie, korrespondeerend met haar verplichting aan dat bevel te gehoorzamen, implicite uit elk wettelijk voorschrift, dat het abstrakte gebod (aan de administratie gelijk aan anderen) bevat, door den rechter jegens haar toe te passen >), tenzij een ander gezag bij uitsluiting is aangewezen om bedoeld konkreet bevel (de bindende beslissing in dezen) te geven. En waar het inbreuken geldt op een recht, dat onderwerp is van 's rechters wettelijke competentie (speciaal een der rechten, in ait. 2 R. O. genoemd), kan bij een aanwijzing van een - ander niet worden aangenomen dat zij de rechterlijke macht uitsluit; zie p. 512—513. — Gelden b.v., gelijk de H. H. aanneemt, o. a. in het boven geciteerde arrest van 7 Mei 1915, de bepalingen van het B. W. over eigendom en bezit ook tegenover de administratie, dan behelst de — krachtens art. 2 R. O. den rechter toekomende - uitspraak 2) dat de gedaagde administratie op eischers eigendom of bezit een onrechtmatige inbreuk maakte, tevens implicite het bevel zich hiervan te onthouden, welk bevel de reproduktie in concreto is van het abstrakte wetsbevel in het B. W. •). - Wat betreft artt. 1401 vlgg. B. W., als deze niet toepasselijk zijn tegenover de administratie, dan is op dien grond de tegen haar gerichte schade-aktie niet-ontvankelijk. Zijn ze het echter wèl, dan is uit de onrechtmatigverklaring der bestuursdaad door den rechter, als niet louter praejudicieel, doch bindend voor de procespartijen (vgl. p. 153—155) ook bij noodzakelijke gevolgtrekking af te leiden de verplichting van gedaagde zich van zoodanige daad jegens eischer te onthouden; vgl. p. 216 217 en 516 (no. 38). De bedoelde onrechtmatigverklaring nu mag de rechter uitspreken, mits hierdoor niet

l) Laband, Staatsrecht des deutschen Reiehs, 5« ed. III (l(J13i r> 375 ja. 380 (1°. i. f.).

-) Ondersteld wordt hier steeds een uitspraak aangaande het onderwerp van liet geschil, niet een louter praejudicieele overweging.

°) Anders Rb. Leiden 7 Aug. 1849, vermeld op p. 412-413 ja. p. 44(j. V j^'l. hierbij no. 3 hiervóór.

Sluiten