Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

694

Inleid, wet R. O. — - Mg. Begins. XIX.

der administratie wraakt op gronden enkel ontleend aan de eischen der gerechtigheid. — Inhoever zulk een rechtspraak de lege ferenda wenschelijk is, en zoo ja, of er voorzieningen zouden kunnen worden bedacht ter korrëktie van het subjektieve element in des rechters rechtsgevoel gelegen '), kan hier onbesproken blijven.

11. Werd in de hier voorafgaande nos. behandeld de onmiddellijke gebondenheid van het administratief gezag aan uitdrukkelijk of implicite tot dat gezag gerichte bevelen des rechters, een andere vraag is die naar haar middellijke gebondenheid aan een rechterlijk vonnis ten gevolge van het gezag van gewijsde dat dit vonnis voor de procespartijen heeft. Daaromtrent kan hier in beginsel worden verwezen naar het op p. 338—339 opgemerkte 2).

1®. De invloed aan het gezag eener rechterlijke beslissing al dan niet toe te kennen ten opzichte van de gedragslijn van den Minister van Oorlog was in 1909 onderwerp eener interessante diskussie in de Tweede Kamer. De vraag was toen in hoofdzaak deze: is genoemd departementshoofd gebonden aan de overwegingen eener rechterlijke beslissing ? — Deze vraag — hiervóór p. 272 jis p. 312—313 reeds ontkennend beantwoord voor bizondere kategorieën van gevallen, vgl. ook no. 68 op

!) Dat zulke voorzieningen niet overbodig zouden zijn, ook om een al te zeer afwisselende en arbitraire jurisprudentie der lagere colleges te vermijden, schijnt b.v. de praktijk in Frankrijk te toonen; zie Ciiarmont in Revue trimestr, de dr. civil 5 p. 843—845. Vgl. ook over de praktijk der Fransche administratieve rechtspraak, Hauriou, Précis de droit admin., 8. éd. (1914) p. 960—96'2.

2) Vgl. nog Jèze in Revue du droit public 30 p. 457—458 v. b., 462—4C3; W. Jellinek (p. 443 geciteerd) p. 138 v. o.; K. Hellwig, System des Deutschen Zivilprozessrechts I (1912) p. 789—790. — Minder juist m. i. Bijlagen Handeln. Tweede Kamer 1906—1907 no. 26 (1°.) p. 10 kol. 2, waarbij vgl. 1.1.1905—1906 no. 169 (40.) p. 31 kol. 1.

Verwant is de kwestie, welk gezag het civiele vonnis heeft voor den rechter in voluntaire jurisdiktie. Daarover, voornamelijk met het oog op het Duitsche recht, E. Josef in Jahrb. f. Dogm. 61 p. 197—228 en de door hem geciteerden.

Sluiten