Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

710

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XX.

van den tijd der dagvaarding, en niet van dien waarop het ten laste gelegde delikt is gepleegd, zoodat, is tijdens de dagvaarding de plaats van het delikt niet meer deel van het kanton, diens rechter incompetent is wat het territoir betreft. — Zie nader R. Mag. 1913 p. 263—264 (no. 60).

1 ®. Meer kwestieus dan het in het slot van het vorig no. 18 bedoelde geval, is dat, waarbij sprake is van een geding, reeds aanhangig vóór de invoering der wijziging van de territoriale indeeling. Zie hieromtrent R. Mag. 1913 p. 265—272 (nos. 61—62).

Over de wetsbepalingen van 1895 Stbl. 133 (art. 6), van 1896 Stbl. 242 (art. 2), 1907 Stbl. 288 (art. 2), van 1908 Stbl. 237, van 1910 Stbl. 181 (art. 18), en van 1911 Stbl. 106 (artt. 8—10) zie R. Mag. 1913 p. 273 (no. 63). Hierbij zijn nog te voegen art. IV wet 11 Dec. 1912 Stbl. 367, art. 7 lid 2 wet 1 Dec. 1913 Stbl. 425, art. 36c wet 31 Dec. 1913 Stbl. 469.

§ 5.

Invloed van wijziging der opvatting omtrent den aard van oude

rechtsverhoudingen, en van veranderingen in dien aard zelf, op rechterlijke competentie, van bedoelden aard afhankelijk.

3©. Zie over dit onderwerp, dat strikt genomen niet valt onder het opschrift van dit hoofdstuk XX, — R. Mag. 1913 p. 274—278 (nos. 64—66), speciaal naar aanleiding van B.'s opstel in W. B. A. 1564, waarin wordt betoogd dat de aard van een recht (hier een oud recht van veer) voor de toepassing van art. 2 R. O. moet worden beoordeeld naar den stand der wetenschap bij het wijzen van het vonnis, en niet naar de leer, gangbaar toen het recht werd gevestigd.

Sluiten