Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXI.

713

tence civile a 1'égard des Etats étrangers et de leurs Agents politiques .... (1894) p. 44—45. Ygl. daarbij echter 1.1. p. 224 v. b. ten opzichte van vreemde gezanten. In denzelfden zin als 1.1. p. 44—45, ook, voor art. 92 der Belgische Grondwet, 1.1. p. 6 en 89—90, terwijl de Paepe kennelijk is gevolgd door het Belgische Hof van Cassatie, arrest van 11 Juni 1903 W. 7983, en door Hof Gent 31 Dec. 1903 W. 8118.

b. De hier bedoelde kwestie betreft de verhouding van het nationale recht tot het volkenrecht.

Ware de opvatting juist dat een met het volkenrecht strijdende wettig nietig is '), dan zou hieruit volgen dat, voorzoover bepalingen als art. 2 R. O. enz. wegens haar formuleering zouden moeten worden geacht met bet volkenrecht te strijden, zij door den Nederlandschen rechter toch niet konden worden toegepast. Echter is de leer dat een met het volkenrecht strijdende wet nietig of althans onverbindend zou zijn, m. i. onjuist. De volkerenmaatschappij is niet een als een Staat georganiseerde gemeenschap. Reeds daarom faalt de vergelijking van een tegen de wet indruischende verordening, afkomstig van een gezag binnen den ktaat, met strijd der wet tegen het volkenrecht. De verordening ontleent haar gezag aan dat van den Staat, de wet niet het hare aan eenig menschelijk gezag, dat boven de Staten zou zijn geplaatst. Juridiek onjuist is het ook te zeggen dat een met het volkenrecht strijdende wet, wordt zij nageleefd, het volkenrecht

1) In dien zin hij ons W. J. M. v. Eysinga, voornamelijk in zijn Proeve eener inleiding tot het Nederlandsch tractatenrecht, diss. Leiden 1906, p. 152—181. Insgelijks reeds li. Adv. 4 p. 11; vgl. ook J. de Louter, liet stellig Volkenrecht (1910) II p. 148 v. b., niet wien instemt T. M. C. Asser in Themis 1912 p. 118-119. Vgl. verder de voorstelling bij J. Kosters, De plaats van gewoonte en volksovertuiging in hel privaat recht (1912) p. 128, als zou liet volkenrechtelijk gewooirterecht het nationale recht breken. Anders G. J. v. Nispen tot Pannerden in Themis 1855 p. 253—255, en (speciaal tegen v. Eysinga) Jitta in R. Mag. 26 (1907) p. 596—598. Zie voorts Struycken in Mededeelingen

van de Nederlandsche Vereeniging voor Internat. Recht No. 3 (1912) p. 2.

Vgl. ook hieronder in den tekst sub e i. t'. aangaande de jurisprudentie van den H. R.

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, ;ifl. 1 4>»

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten