Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

714

Inleid, wet R. 0. -- Alg. Begins. XXI.

krachteloos zou maken : een Staat blijft gebonden aan het volkenrecht, dat hij overtreedt.

c. Indien moest worden aangenomen dat het volkenrecht is te beschouwen als integreerend d6el van het nationale recht, althans voorzoover dit laatste geen met het volkenrecht strijdende bepalingen behelst, dan zou hierdoor de in dit no. 2 besproken kwestie (daargelaten de vraag naar de toepassing hierbij van den regel dat later recht het vroegere vervangt, welke vraag ik laat rusten) gemakkelijk zijn op te lossen. De nationale wet zou zijn uit te leggen overeenkomstig het volkenrecht, evenzeer als overeenkomstig welk ander deel van het nationale recht ook, eenvoudig omdat beide bestanddeelen zouden zijn van éénzelfde rechtssysteem. Maar m. i. is ook de zooeven aangeduide voorstelling niet de ware. Al is het mogelijk dat het positieve recht van een bepaald land het geheele volkenrecht in zich opneemt (adopteert), het gaat niet aan te zeggen dat dit overal is geschied. En me dunkt dat in Nederland het volkenrechtelijk gewoonterecht niet als nationaal recht is aan te merken ').

d. Maar toch zijn ook onze wetsbepalingen, indien dit eenigszins mogelijk is, zoo noodig restriktief uit te leggen overeenkomstig het volkenrecht 2). En de mogelijkheid daartoe wordt niet uitgesloten door de algemeenheid der voor de wet gekozen bewoordingen. Dit laatste, omdat woorden slechts teekens zijn voor

1) Niet vol te houden is m. i. de stelling van Suijling (p. 462 geciteerd) p. 31—32 dat, indien het volkenrecht niet is nationaal recht, een kwestie van volkenrecht ook niet praejudicieel zou kunnen zijn voor den nationalen rechter. Is die rechter verplicht het recht van zijn land zooveel mogelijk uit te leggen overeenkomstig het volkenrecht (zie hieronder in den tekst sub rt), dan zijn vanzelf kwesties van volkenrecht voor hem praejudicieel. Vgl. ook hiervóór p. 219—223.

2) Zie in dien zin voornamelijk P. B. Maxwell, On the interpretation of statutes, 4e ed. (1905) p. 218- 219 jis. p. 90 v. b., 121 en 211, alsmede Triepel (p. 188 geciteerd) p. 397—400 ja. p. d54. — Dezelfde stelling is bij verschillende schrijvers over volkenrecht en in de buitenlandsche jurisprudentie te vinden; vgl o. a. Zeitschrift für Internat. Recht 20 p. 435.

Sluiten