Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

724 Inleid, wet R. 0. — AUj. Begins. XXI.

de nationale bepalingen, en wel, voorzoover afzonderlijke voorschriften omtrent de jurisdiktie ontbreken, vooral bij de bepalingen over de relatieve competentie (vgl. Jur. D. I. P. p. 88) al moet worden toegegeven dat het rationeeler zou zijn, indien onze wet de jurisdiktie zelf geheel regelde om daarop de competentiebepalingen te doen steunen. Yaak zou men praktisch tot onduldbare resultaten komen, indien aan den eenen kant de niet beschreven rechtsbeginselen, waarvan hierboven sprake was, ons in den steek laten, doordat buiten het leerstuk der z.g. exterritorialiteit internationale jurisdiktie-regels op een enkele uitzondering na ') niet [kunnen worden gevonden,'—■ en men aan den anderen kant, voorzoover art. 127 B. Rv. en art. 431 lid 2B. Rv. niet toepasselijk zijn, zou weigeren de bepalingen op de relatieve competentie tevens op te vatten als jurisdiktie-voorschriften. Zelfs in een vordering tegen een in Nederland gedomicilieerden vreemdeling ware dan (buiten prorogatie en de gevallen van artt. 127 en 431) een incompetent-verklaring m. i. het noodzakelijk gevolg. Immers de jurisdiktie-bepaling, in den regel vereischte voor de rechtsmacht over vreemdelingen, zou ontbreken. Zulk een stelsel echter kan niet worden geacht dat van onze wet te zijn. Dit te minder, nu art. 127 B. Rv., dat eerst ter elfder ure is ingevoegd, door de Regeering slechts werd voorgesteld om te voorzien in de leemte, welke naar haar oordeel door het weglaten van art. 14 C. C. was ontstaan, een leemte, die in haar oog enkel aanwezig was inzoover het recht van overdaging naar haar meening zonder de bepaling zou ontbreken 2). Had men

!) Vgl. no. 11 hierna.

2) Zie v. b. Honkrt, B. Rv. § 127. — Uver art. 127 B. Rv. vgl. eenerzijds W. v. Rossem Bz., Het Ned. Wetb. v. B. Rv. ... verklaard, 2e ed. I (1912) p. 238—241, speciaal p. 240, en aan den anderen kant Kosters 1.1. p. 45—50. .Men heeft ra i. bij het opnemen van art. 127 niet enkel over het hoofd gezien dat, indien de jurisdiktie uit de voorschriften op de relatieve competentie mag worden afgeleid, de bepaling overbodig is wegens het, in Frankrijk ontbrekende, derde lid van art. 126 (vgl. intusschen in anderen zin de concl. O. M. vóór II. R. 29 Mei 1914 W. 9745, N. Jur. 1914 p. 780), maar ook dat zij niet past

Sluiten