Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

734 Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XXI.

zouden zijn ter uitsluitende berechting van den vlag-Staat, hetzij in het algemeen, hetzij althans dan, als de dadei of buigei is van dien Staat, öf lid der bemanning? In tegenstelling tot de meerderheid der schrijvers, tot de Regeeringen van Engeland en van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, gelijk ook tot sommige rechterlijke beslissingen (o. a. H. R, 12 Jan. 1858, hiervóór in no. 2 sub e geciteerd), hel ik er toe over, evenals C. JordAn in de Revue de droit internat, et de législ. comparée 1908 p. 341—362 en 481—500, op de zooeven gestelde vraag ontkennend te antwoorden. Zie nader Jur. D. I. P. no. 46. Ygl. aldaar ook over de arbitrale uitspraak van F. v. Martens in de Costa-Rica-Packet zaak, opgenomen in "W. 6933 en in T. v. S. 10 p. 184—185. Zie Jur. D. I. P. p. 149 de opmerking over de wenschelijkheid dat in voorkomende gevallen, wegens het twijfelachtige der kwestie, de ambtenaren van het O. M., alvorens tot vervolging over te gaan, de Regeering raadplegen.

15. Is er een volkenrechtelijke regel, gelijk aan dien in het vorig no. 14 bedoeld, aan te nemen ten opzichte van handelingen op z.g. publieke schepen, of althans op oorlogssriiepen voorgevallen, hetzij in volle zee, hetzij in het watergebied van een hun vreemden Staat? Dit dan, althans wat oorlogsschepen betreft, afgezien van daden der bemanning, wier persoonlijke immuniteit van jurisdiktie onbetwist is (vgl. hierna no. 40). De meeningen omtrent de gestelde vraag zijn verdeeld. M. i. moet het antwoord ontkennend luiden. Zie nader Jur. D. I. P. no. 47. Het hierboven no. 14 i. f. aangestipte zou hier kunnen worden

herhaald.

lö. Bij aanvaarding der in de vorige nos. 14 en 15 aangegeven oplossingen zullen, in verband met art. 8 Swb. en art. 26 Sv., o. a. deze gevolgtrekkingen zijn te maken. AYat betreft de toepassing van art. 4 Swb. '), het in volle zee uitgeven van

1) Ten aanzien van art. 3 Swb. worde hier opgemerkt dat de vraag, besproken door den Beer Poortugael tin no. 3 hiervóór aangehaald) p. 164-165, of de rechter competent is, indien er een delikt is gepleegd aan boord van een schip van 's rechters Staat, door een lid dei- equipage van andere nationaliteit, 111

Sluiten