Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

738

Inleid, wet R. O. — Ah). Begins. XXI.

speciaal voor Nederland te releveeren dat zij is gehuldigd door den H. R., die haar — ook toen ten onrechte — als algemeen erkend aannam bij de arresten van 12 Jan. 1858 en 12 Nov. 1861, beide geciteerd hiervóór in no. 2 sub e, en verder bij die van 24 Juni 1862 en 28 Maart 1871, beide vermeld in no. 5 hiervóór, alsmede bij dat van 25 Nov. 1872, aangehaald hiervóór in no. 12. Dit laatste arrest ging echter niet zoover als dat van 1861, waarbij de H. R. van meening was dat het Fransche avis du Conseil d'Etat van Okt./Nov. 1806 de fiktie, in een land waar dat avis gold, ook toepasselijk maakte op de in een haven van dat land vertoevende schepen Genoemd arrest van 1861 verwarde m. i., in zijn overweging betreffende de tuchtwet van 1865 Stbl. 32, met elkaar de fiktie schip is territoir (= grondgebied) en den rechtsregel schip is territoir (= rechtsgebied). Vgl. voorts nog aangaande de hier bedoelde fiktie, H. R. 30 Aug. 1850 (vermeld hiervóór in no. 2 sub e), Rb. Amst. 11 Mei 1897 W. 7049, W. v. N. R. 1452, en de geciteerden in de concl. O. M. vóór het bovengenoemde arrest van 1858. — In gelijken zin als de aangehaalde beslissingen — voor oorlogsschepen geheel, en voor koopvaardijschepen gedeeltelijk — den Beer Poortugael (geciteerd in no. 3 hiervóór) p. 142, 155; Tasset (t. a. p. mede geciteerd) p. 35—36 j's. 33—35 voor oorlogsschepen, p. 211—213 ja. 235 voor handelsschepen. Ook C. A. den Tex in Bijdr. tot Regtsgel. en Wetgev. 1834 p. 555—559; A. M. de Roüville, De vraag van regt in de zaak van ... de jonge Albert (1854) p. 9. Inconsequent is C. v. Vollenhoven, Omtrek en inhoud van het internationale recht, diss. Leiden 1898, p. 64—65. Verder stonden op het standpunt der fiktie Swakt in diens advies, vermeld bij Smidt, Geschied. Wb. v. vStrafr. I, 2e ed. p. 127 v. b., en de leden der Tweede Kamer, die er zich over uitten bij de behandeling van art. 4 Swb. (vgl. het vorig no. 16 i. f.). Zie ook aangaande oorlogsschepen de Mem. v. Antw. van den Min. v. Just. bij de staatsbegrooting 1909—1910 in W. 8921 p. 8 kol. 1. — Nederlandsche schrijvers, die de fiktie van territorialiteit der private schepen niet als volkenrechtelijk erkennen zijn

Sluiten