Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

746 Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XXL

oefening van voluntaire jurisdiktie, o. a. over verbetering van vreemde akten van den burgerlijken stand, waaromtrent zie H. R. 21 Juni 1912 W. 9363, R.spr. 221 § 28, W. B. A. 3306. Voorts over bizondere procedures als die betreffende buitenlandsche oktrooien. Verder t. a. p. no. 126 over het inroepen door een Staat of door een zijner onderdeelen van een hen bindende beoordeeling hunner bestuursdaden bij een hun vreemden rechter. Voor een eisch als hier bedoeld, ingesteld bij den Nederlandschen rechter, zou m. i., naar de interpretatie door den H. R. aan art. 2 R. O. in den regel gegeven, onze rechterlijke macht competent zijn (anders echter naar art. 2 R. O. volgens het aanhangige Ontw. II Admin. Rechtspraak), terwijl onze wet ook aan de ontvankelijkheid van zulk een vordering als zoodanig, m. i. niet in den weg staat. Vgl. intusschen — met afwijkende casuspositie, n.1. die van een Nederlandsche vordering in den vreemde — de missive van den Min. v. Fin. d.d. 13 Dec. 190;) P. W. no. 9877. Daarbij is aangenomen dat uitteraard geen vervolging in bet buitenland kan worden ingesteld wegens publiekrechtelijke schuldvorderingen, in casu die van overgangsrecht van onroerend goed in Nederland gelegen, welke vordering toekwam aan den Nederlandschen Staat. Dit, 1°. omdat de macht van een Staat tot zijn grondgebied is beperkt (alsof de Staat, die in den vreemde een proces begint, daar macht uitoefende !), en 2°. omdat de invordering van verschuldigde belasting in dezen niet zou kunnen geschieden op de daarvoor bij de [Nederlandsche] wet aangegeven wijze. De strekking van dit laatste» argument kan niet zijn dat nooit door onzen Staat zou mogen worden geprocedeerd in het buitenland volgens de daar geldende wet. Waarschijnlijk is bedoeld dat art. 62 der Successiewet in het buitenland niet zou worden nageleefd. Zal men echter niet mogen aannemen dat genoemd artikel enkel het oog heeft op het gewone geval eener vervolging in Nedeiland V

33. Over executie van tegen exterritoriale personen gewezen vonnissen vgl. Jur. D. I. P. nos. 127-163, waarvan no. 127 de mogelijkheid memoreert van zulk een vonnis, zonder jurisdiktie

Sluiten