Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXI.

749

tegen v. Bynkershoek's interpretatie van het plakkaat van 1679. Nooit afgeschaft, is dit plakkaat wegens zijn inhoud m. i., ook bij en na de inlijving van ons land bij Frankrijk in 1810, niet vervallen, en geldt het nog steeds. Vgl. in dien zin — met de onjuiste bewering dat het niet kon worden herroepen — R. Adv. 4 p. 13; zie voorts in het hieronder sub c en h geciteerde vonnis Ktg. 'sGrav. van 15 Febr. 1869 de verwijzing naar gemeld plakkaat. Dit laatste wordt hier niet nader behandeld, omdat het, behalve aantasting van den persoon, enkel verbiedt conservatoir beslag voor schuldvorderingen (vgl. v. Bynkershoek 1.1. p. 66, Op. Omn. 7 p. 475—476; zie voorts in Jur. D. I. P. noot 594 over bedoeld plakkaat, en noot 1225 aangaande de Resolutie der Staten-Generaal van 2 Febr. 1692 en de missive der Staten van Holland en W.-Friesland d.d. 18 Jan. 1642) zoodat het slechts indirekt in verband staat met de eigenlijke immuniteit van jurisdiktie (zie v. Bynkershoek 1.1.). — Vgl. nog over de beteekenis van het woord „passerende" in gemeld plakkaat van 1679, Jur. D. I. P. noot 1252, en over de leemte daarin ten opzichte der goederen van bedienden, t. a. p. noot 1274 i. f.'). ■—Buiten het geval van conservatoir beslag moeten bij ons direkt de regels van het volkenrecht worden toegepast, waarvan trouwens het plakkaat van 1679 over het algemeen slechts een weerspiegeling bedoelt te zijn. Over dit plakkaat zie ook Ev. de Jonge (hiervóór in no. 2 sub a geciteerd) p. 386—389 en 473. Vgl. denzelfde p. 450—515 over hetgeen in de republiek der Vereenigde Neder-

!) Zie ook de Resolutie der Staten-Generaal van 19 Juni 1681, Gr. Plac. Boeck 7 p. 520, beslissend dat ingezetenen van ons land zich niet konden beroepen op het plakkaat van 1679 om op immuniteit aanspraak te maken. Over die Resolutie van 1681 vgl. v. Bynkershoek 1.1. cap. 11 i. f. p. 83—86 (Op. Omn. 7 [i. 488—489). M. i. is zij, gelijk ook die van 10 Okt. 1727, Gr. Plac. Boeck 7 p. 522, vervallen ingevolge de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk in 1810. Want haar hoofdstrekking was uit te maken dat eigen ingezetenen niet hadden de privileges der vreemde gezanten. Daarvan was de beslissing voor een konkreet geval van 1681 het uitvloeisel. Echter neemt dit niet weg dat de beperkende uitlegging in 1681 aan het plakkaat van 1679 gegeven', m. i. als juist blijft te aanvaarden.

Sluiten