Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

752

Inleid, wet R. 0. — Alg. Begins. XXI.

gezanten zie Jur. D. I. P. no. 234, waarbij vgl. no. 236 over het gezin der leden van het officieele gevolg.

k. Over de eventualiteit dat een der in dit no. 36 bedoelde personen Nederlandsch burger is, zie hierboven no. 20 sub a, met de verwijzingen aldaar.

3 9. "Vreemde consuls hebben buiten traktaat geen exterritorialiteit. Zoo voor een consul-generaal Rb. Amst. 26 Juni 1850 VV. 1151, R. B. 1850 p. 607, overwegend dat hij niet, evenals een gezant, is de vertegenwoordiger van een vreemd soeverein, doch in den regel een handelsagent, gezonden ter bescherming zijner landgenooten. Gelijke beslissing gaf voor een vice-consul Rb. Middelb. 8 Dec. 1869 R. B. 1872 p. 778 (zie dit vonnis ook vermeld hiervóór no. 32). Vgl. mede, ten opzichte van belastingvrijdom, Rb. Arnhem 9 Dec. 1897 W. 7120. Van Nederlandsche litteratuur zie de Louter, Volkenrecht II p. 71 v. o. ji». 73 en 75; J. Paulus, Het consulaire Recht (1890) p. 39—41; Tasset 1.1. p. 123—143; Ferguson 1.1. II p. 131—132; J. Wertheim, Verhandeling over het Nederlandsche Consulaatregt, diss. Utrecht 1851 p. 254—262, en denzelfde, Manuel des fonctions consulaires (1801) I p. 1—12. — De buitenlandsche jurisprudentie en litteratuur is in gelijken zin; zie daaromtrent Jur. D. I. P. noot 1298. Vgl. t. a. p. no. 121, en no. 32 hiervóór, over het al dan niet ontvankelijk zijn in een vordering rakende ambtsdaden van vreemde consuls.

38. Ook andere vreemdelingen met ambtelijke funkties dan de boven bedoelde hebben (daargelaten de in de hier volgende nos. 39 en 40 aan te duiden gevallen) geen exterritorialiteit. Vgl. nader Jur. D. I. P. nos. 239—244, waarvan no. 239 over den vreemden Minister van Buitenlandsche Zaken, no. 240 over grensbeambten, en no. 241 over buitenlandsche commissarissen op een internationale tentoonstelling.

39. Over de exterritorialiteit van vreemde troepen, met toestemming van een Staat zich op diens grondgebied bevindend, zie Jur. D. I. P. nos. 245—250.

40. Over de exterritorialiteit der equipage van vreemde

Sluiten