Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inleid, wet R. O. — Alg. Begins. XXI.

753

oorlogsschepen zie t. a. p. nos. 251—257 '); over die der bemanning van andere z.g. publieke schepen t. a. p. no. 258; vgl. ook no. 259.

41. Over de vraag of, en zoo ja inhoever, er buiten traktaat, naar volkenrecht een beperkte exterritorialiteit bestaat voor de equipage van private schepen, komend in een hun vreemd watergebied, zie t. a. p. nos. 260—270, waarvan nos. 261—268 betreffen havens en reeden, no. 269 de territoriale zee, speciaal de in die zee passeerende schepen, en no. 270 handelt over schepen die in nood binnenvallen. — Het t. a. p. no. 262 vermelde Fransche avis du Conseil d'Etat van 28 0kt./20 Nov. 1806 is opgenomen bij Fortuyn, AVetten van Franschen oorsprong II p. 414. Bij ons na de inlijving bij Frankrijk executoir verklaard, is dit avis met ingang van 1 Sept. 1886 als wet afgeschaft door art. 4 no. 1 der wet van 15 April 1886 Stbl. 64. Op zich zelf bewijst dit niet dat de inhoud van het avis Nederland volkenrechtelijk niet meer bindt, indien n.1. dit laatste te voren wèl het geval was. Doch juist omdat onze Regeering zulks toen (en vroeger) niet erkende, had de afschaffing plaats; zie . Smidt, Geschied. Wb. v. Strafr. I, 2e ed. p. 122 v. b. en 124 ja. 128. Ygl. ook de Louter, Volkenrecht I p. 418; Philipsoü (hiervóór no. 17 sub b geciteerd) p. 275, en de opmerking van Visser (hiervóór in no. 3 aangehaald) p. 292, deze laatste naar aanleiding onzer consulaire wet van 1871 Stbl. 91. — Anders had op dit punt de H. R. gedacht bij arrest van 29 Juni 1841 (geciteerd hiervóór no. 2 sub a), welk arrest de cassatie verwierp tegen Rb. Brielle 13 Febr. 1841 W. 163, waarbij het avis van 1806 was toegepast. De H. R. overwoog toen dat volgens de grondbeginselen van het volkenrecht de kennisneming van klachten ter zake eener tuchtiging door een superieur van een zijner onderhoorigen aan boord van een vreemd [koopvaardijschip, ofschoon zich bevindend in een Nederlandsche haven, [uitsluitend]

!) Evenals do andere Nederlandsche schrijvers, 1.1. in noot 1342'geciteerd, ook Noyon (in no. -12 hiervóór aangehaald) 3e ed. I p. 77 no. 3 op art. 8.

48

Sluiten