Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na Godelieves vertrek kwam er wat ontspanning.

Roswitha begon met de honderd en één vragen die haar bezig hielden.

Allereerst over Godelieve.

Hoe die heette, waar zij van daan kwam, en ridder Dagobert haar ontmoet had; hoelang zij blijven zou en waarom haar vader haar had meegebracht.

Alleen op die laatste kreeg zij antwoord.

— „Mij dunkt dat een gast van je leeftijd je welkom moest zijn."

Toen over prins Hendrik, oudsten zoon van den Keizer.

Of haar vader hem had gezien en of hij op den Keizer geleek.

Prins Hendrik had den Keizer niet vergezeld. Hij was achtergebleven in Italië, en zou eerst later volgen en vermoedelijk zijn jonge stiefmoeder begeleiden, de nieuwe Keizerin, zoodra de Keizer zich een vaste woonplaats had gekozen.

Reis en Rijksdag kwamen daarna aan de beurt.

— „Die laatste zal van beteekenis zijn," zeide haar vader tot zijn schoonzuster, die onderwijl terug was gekomen. „De Keizer heeft voor langen tijd, wellicht voor goed zijn Roomsche landen verlaten en wil zich aan Duitschland wijden. Dat uit de verte te regeeren gaat bezwaarlijk, waar het zoo woelig is en zooveel verschillende belangen in 't spel zijn. Dat heeft hij ingezien. Aan de hopelooze verwarring der laatste jaren kan hij alleen met het overwicht van zijn macht en zijn krachtige persoonlijkheid een eind maken. Een reuzen-taak! Maar de Keizer is een reus.... Hij is nu een-en-veertig jaar en heeft, zoo God wil, nog een lang en zegenrijk leven vóór zich."

Roswitha kon niet verder vragen.

Haar vaders stem klonk zoo heel anders dan gewoonlijk. Wat hij vertelde moest hem blijde stemmen, en toch....

Daar was iets dat hem hinderde, iets ongewoons, iets dat zij niet onder woorden kon brengen, maar dat zij voelde, en dat haar zelf beklemde en onrustig maakte.

Sluiten