Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar het eene paard is niet gelijk aan het andere," vergoelijkte de Heer van Hohenberg.

—- Alles wil langzaam geleerd worden," zei Carel.

— Wat is er gaande?" dacht Wolf en hij liep het binnenplein op.

— O, hé, jonkvrouw Roswitha," riep hij, begrijpende wat er aan de hand was bij het zien van de omgeworpen hindernis, Eberhards van trotsche vreugde stralend gezicht — een tegenstelling met dat van Roswitha — Freia's ongewone zenuwachtigheid en — het roode merk van Roswitha's sporen op haar witte huid. „Zoo gaat het niet. Freia kan wel, maar "

— Op zij, Wolf!"

De versperring was weer vastgemaakt. Roswitha had zich door Hendrik een korte rijzweep laten geven en drong haar paard tegen Wolf aan, zoodat hij uitwijken moest. Zij keek links noch rechts maar tuurde tusschen de ooren van haar paard neer alsof zij haar wil in Freia wilde overgieten. De wenkbrauwen te zamen getrokken, de oogen hard, de lippen vast opeen, een uitdrukking van starren hoogmoed op de anders zoo bewegelijke trekken.

Langzaam deed zij haar paard achteruitgaan....

Daarna klopte zij het even op den glanzenden nek, bracht het in de nabijheid van de versperring, deed het weer teruggaan.

Ridder Dagobert en ridder Hohenberg hadden in spanning toegekeken. Carel was afgestegen. Eberhard hield zijn vos in, met trotsche zelfvoldoening dat niemand hem den sprong zou nadoen.

Roswitha had den toom gevierd, de sporen aangedrukt. De rijzweep daalde neer, heftig, heftiger

Freia sprong en stond trillend aan den overkant.

— Een stalen wil," merkte ridder Hohenberg kortaf aan en wendde zich af.

Maar Roswitha was nog niet voldaan.

Roswitha ,

Sluiten