Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Roswitha en Godelieve vermaakten zich bij dat vlugge kruisen van vragen en antwoorden, van grappige aanmerkingen en uitvallen.

Langzamerhand werd het gesprek ernstig. De ouderen vroegen naar gewichtiger zaken.

— Is het daarginds bij jullie rustig?"

— Dat gaat. De verkondiging van den landvrede, waarbij op strenge straf geen zwaard getrokken, geen wapen gehanteerd mag worden van Woensdag tot Maandag, doet goed. Dan moet Gods vrede heerschen. De Mainzer landvrede."

— Een wijs besluit, waarmee groote zoowel als kleine luiden zullen gebaat zijn."

Het was Wolf die sprak.

— Als allen zich daaraan stoorden! Menschen zooals de Ebersteiner niet," lachte de bode.

— Die heeft niet veel meer te vertellen. Een verloren man," viel de wapensmid in.

— 't Mocht wat! Hij zal wel weer ergens opduiken en zich doen gelden! Er zijn er meer dan hij die den landvrede niet willen".

Dat werd belangrijk! Roswitha was een en al belangstelling. Wolf, die den Graaf van Eberstein kende, zou ook een woordje meespreken....

Maar Wolf zweeg. Een ander antwoordde, de bode.

— Hij is opgedoken, eerst in de nabijheid van Mainz, haast in 't zicht der keizerlijke banieren, om zoo te zeggen; later in 't Badensche. Maar hij werd nog ter juister tijd herkend: afgesneden van de weinige volgers die hij, de Heiligen weten hoe! in zoo korten tijd had bijeen gekregen; daarna als een wilde wolf opgejaagd en achterna gezeten. Op 't slot van een bondgenoot nagespoord en ontdekt, 't Slot belegerd en in brand gestoken. Niét onder1'de belegerden gevonden.... Wellicht verbrand! Of gedood! Wellicht ontkomen door het geluk, dat hem nog niet schijnt verlaten te hebben. De Ebersteiner heeft zijn laatste woord nog niet gesproken."

Sluiten