Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had haar vader gezien, woelende met de handen door zijn grauwe haren, verwenschende zijn eerzucht, zijn doldriftig najagen van gezag.

Zij was getuige geweest van zijn zelfverwijt en hartstochtelijk berouw, nu hij haar den dood nabij had gezien.

Op den heirweg was het toen levendig geweest. De Rijksdag was ten eind. Stoet na stoet was voorbij getrokken. De weg had niet gerust van paardengetrappel, geblink en geklink van wapens en rustingen, van stemmen en geflikker van banieren en vanen.

Een pauze. En toen weer een troep....

Haar vader was behoedzaam onder bedekking van boom en struik den weg genaderd. Hij had den ridder van den Valkenburcht herkend. Veilig onder zijn vermomming had hij hem aangesproken.

Een oogenblik later was ridder Dagobert dengewaanden monnik gevolgd.

Voor Godelieve hadden zij stil gestaan. Kap en pij had haar vader afgeworpen, zijn naam genoemd en op haar gewezen.

— Ontferm u over mijn dochter, en neem haar onder uw hoede tot ik kom om haar terug te halen."

Een oogenblik van zwijgen was gevolgd.

Wat de een had gevraagd en de ander zou weigeren of aanvaarden, vertegenwoordigde meer dan in weinig woorden was te zeggen.

Beiden hadden geweten dat zij veel op 't spel zetten.

Ridder Dagobert door een vogelvrij verklaarde te laten gaan vrij en onverhinderd; graaf Eberstein door zich op genade of ongenade toe te vertrouwen aan een vriend en onderdaan van den Keizer.

Alles op één worp, zooals dat in haar vaders aard lag! Hij zou dat niet ten tweedemaal noch aan een ander hebben gedaan; aan niemand anders dan aan één, wiens ridderlijke gezindheid werd geroemd door vriend en vijand, had hij Godelieve vóór zijn sluipen naar den heirweg gezegd.

Sluiten