Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Uw dochter zal veilig en onbekend bij mij wonen," had ridder Dagobert geantwoord. „Ik vertrouw dat haar vader binnenkort in schuld zal vallen voor den Keizer, op wiens grootmoedigheid geen berouwhebbende ooit te vergeefs een beroep heeft gedaan, en hij zijn dochter met opgeheven hoofd bij mij zal komen opeischen."

Dat laatste had hij tegen bladeren en struiken gesproken. Haar vader had zich na een vluchtigen kus op 't voorhoofd van zijn dochter uit de voeten gemaakt. Ridder Dagobert had Godelieve opgenomen en was naar zijn gevolg terug gekeerd.

— Nu weet je alles," eindigde Godelieve.

Toen ridder Dagobert den volgenden ochtend zijn kamer wilde verlaten, glipte Roswitha naar binnen.

Zij had voor de deur gewacht.

— Lieve g r o o t e vader," zeide zij met dezelfde woorden als in haar kleinkindertijd als zij voor hem had gestaan met uitgestoken armen, het schalke gezichtje niet veel hooger dan zijn knie, opkijkende tot haar langen statigen vader in zijn rijke ridderrusting. Daar was niet veel lengte van afstand meer n u tusschen haar en zijn gelaat. „Lieve g r o o t e vader," zei zij nog eens, dezelfde kinderlijke bewondering van vroeger in de oogen, en de armen om zijn hals. „Ik ben zoo blij dat ik eindelijk weet, en zoo trotsch nu ik weet."

Christen- en ridderplicht. Te helpen met voorbijzien van eigen belang en eigen voordeel, zonder te berekenen of daaruit schade of ongerief voor zichzelf kon voortkomen.

Dat dit laatste het geval kon zijn was haar niet ontsnapt.

Maar — de daad van haar vader werd er te hooger en schooner door.

4 L

Sluiten