Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan losgedragen haren naar achteren zouden houden.

Voor een tweede galakleed een lichtgroen onderkleed met overkleed van ivoorwit gebloemd brokaat. Het overkleed met rand van gouden kralen uitloopend in ranken, naar eene door Godelieve uitgedachte teekening. Passende schoenen daarbij en een haarband van goudstof waarop glanzende smaragden zouden worden gehecht.

Het derde en niet zoo kostbare kleed was van witte soepele wollen stof zonder overkleed, aan den hals, aan de wijd-open, laag afhangende mouwen van haast Griekschen vorm en aan den onderrand omzet met gouden passement van omstreeks vier vingers breedte. Een gouden gordel om het middel, waarvan afhing een gouden beugeltasch met netwerk van gouddraad. En een haarband, waarvan het zwart fluweel schuil ging onder borduursel van gouddraad.

En dan nog een reiskleed van blauwe wollen stof. En een lange wijde regenmantel met kaper waaronder zij kon schuilen bij regen.

— Ik ben nog nooit zoo moe geweest en — heb mij nog nooit zoo verveeld," had Roswitha er haast bijgevoegd, toen zij later met Godelieve tante Gonda's tuin plunderde om bloemen voor de kapel te plukken.

Dien avond kon vader Hubertus worden terug verwacht, en zij wilden de kapel feestelijk versieren.

Het gansche jonkvrouwelijk element van den Valkenburcht was het bosch in om beuken- en sparrengroen.

Zoolang vader Hubertus weg was, nam een geestelijke uit de buurt van tijd tot tijd den dienst waar op den Valkenburcht, en bleef Roswitha verschoond van schrijf-, lees-, en rekenles. Dat mocht wel de reden zijn waarom zij hem nooit met veel verdriet zag vertrekken, ofschoon zij veel van hem hield. De goede man had weinig takt om haar te leeren. 't Ging alles zoo droog en dor. Zij herademde na elke les.

Laat en moe kwam hij dien avond aan, het groote bruine

Sluiten