Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X.

De groote dag was daar.

De ruiters stonden op het binnenplein geschaard, Wolf aan hun hoofd, allen in het nieuw gestoken. Hun stalen borstplaten en dekstukken op schouder en dij der lederen kolders en hozen, en hun wapens blinkend in den helderen vroolijken herfstmorgen. De paarden, de beste uit de stallen uitgekozen voor den langen tocht, krachtige, zwaar gebouwde dieren met vurig oog en golvende manen en staart.

Acht ruiters en tien paarden; twee daaronder bepakt met bagage en mondkost voor de reizigers. Allen wachtend op den burchtheer en zijn dochter, de door hen te berijden paarden rondgeleid door een paar stalknechts, wier gezichten duidelijk zeiden hoezeer zij de tot den tocht geroepenen benijdden.

Roswitha was dien ochtend heel vroeg opgestaan en had van allen en alles afscheid genomen. De tocht zou ongeveer drie weken duren.

Een reis van beteekenis in aller oog.

Daarna naar de kapel, waar vader Hubertus om den zegen had gesmeekt voor de vertrekkenden. De kapel was stroomend vol geweest. Niet alleen alle burchtzaten waren daar, maar ook alle omwonenden in den omtrek. Vader Hubertus had met klem en warmte gesproken bij de gedachte dat zijn biechtkind voor het eerst de beschermende muren van den Valkenburcht zou verwisselen voor de wijde en — arglistige wereld daar buiten. Al ging zij onder de hoede van haar vader, al zou een goede en edele vrouw moederplicht en moederzorg bij haar vervullen, gevaren dreigden er waartegen vaderhand noch moederoog konden beveiligen. Een verblijf aan het hof kon een vuurproef zijn. Roswitha had gevoeld dat hij in de eerste plaats had gebeden

Sluiten