Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII.

Vier dagen later zat Roswitha te schrijven.

Ridder Dagobert had haar laten weten dat hij gebruik zou maken van den bode door den Keizer af te zenden naar de Rijnlanden, om een brief naar den Valkenbucrht mede te geven. Hij schreef aan tante Gonda. Als Roswitha wilde, kon zij een brief bij den zijnen doen. Hij had bij de boodschap een groot vel perkament gevoegd en eenigetot pen versneden ganzenveders. Inkt zou er, naar hij meende, wel in den „Zwarten Adelaar" of een der naburige huizen te vinden zijn.

De schitterende feesten waren afgeloopen, de Keizer vertrokken, nog luider toegejuicht dan bij zijn komen. Roswitha had de verlokking tot uitgaan met de gravin weerstaan, en gezegd dat zij, evenals den vorigen dag, haar ganschen ochtend voor het schrijven van haar brief wilde besteden.

De waard uit den „Zwarten Adelaar had haar, met niet te miskennen welbehagen dat hij er zoo'n bewijs van beschaving op nahield, den grooten tinnen inktkoker gebracht die nu weer voor haar stond en de zware tafel voor het hooge smalle venster geschoven opdat zij te beter zou kunnen zien bij den arbeid, waarvoor hij evenveel eerbied als bewondering toonde.

„Groet van Roswitha aan haar lieve G."

Het stond er na veel moeite.

Zij had met opzet den naam „die zoo weinig in Duitschland voorkwam," niet voluit geschreven.

Sedert den eersten feestavond nam zij zich in acht. De brief kon verloren gaan of onder oogen komen waarvoor hij niet bestemd was.

Roswitha. ®

Sluiten