Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ditmaal was het een haastig ontbijt.

Ehrenfried was al naar Ridder Dagobert. De paarden werden voorgebracht.

Die haast was Roswitha naar den zin. Zij vreesde dat de ontvluchte ridder weer ter sprake zou komen. Men hoorde van niets anders. De stad was er vol van.

Even buiten Trier ontmoetten zij een vroolijke cavalcade. Onder hen Hedwig en haar vader, ridder Ruprecht van Herrenstein en eenige verwanten en vriendinnen van Hedwig, allen nog in feestelijke stemming en vol lof over het genotene bij het Keizerlijk verblijf.

Zij wendden de paarden en verzochten mee te mogen rijden.

Lustig draafden de paarden en lustig vloog scherts en wederwoord onder de jonge lieden. De ouderen vielen bij en gedachten hun jeugd. De scherpe wind deed de kleederen bollen, en de haren zwieren; joeg het bloed krachtiger door de aderen, deed de wangen kleuren en de oogen glanzen.

— Jonkvrouw Roswitha," zeide Ehrenfried op een oogenblik dat de stemmen der overigen luider om hen heen werden, „zal ik u een welkome gast zijn op den Valkenburcht van 't voorjaar?"

Hij keek haar aan met zooveel spanning en verwachting dat zij kleurde en het gezicht afwendde.

Maar zij voelde dat zijn blik haar niet losliet. En ook dat hij haar blos verkeerd zou uitleggen als zij niet antwoordde.

— Vaders gasten zijn mij altijd welkom," zeide zij.

Zij dwong zich om rustig en open zijn blik te ontmoeten.

Daarna spraken beiden langen tijd niet meer.

Sluiten