Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de jonkvrouw van den Valkenburcht. Mijn schildknaap en neef, de jonker van Meerwalden."

Geen enkel woord van welkom voor onze gasten, Roswitha?" vroeg tante Gonda van haar zitplaats.

— Honderd voor één," antwoordde Roswitha gulgauw en

stak ook den jonker de hand toe.

— We waren op den Grauwkop, Thor en ik," legde zij uit, half tot de gasten half tot tante Gonda en haar vader, „toen ik het sein van den hoorn hoorde en omkeerde, nieuwsgierig welk

bezoek den Valkenburcht te beurt viel Een lange, lastige

tocht!.... Heel moeilijk om door de losse sneeuw op den grond en de verblindende witte warreling om ons heen te komen,'' eindigde zij met een blik op haar doornat schoeisel.

Het viel haar eerst toen in hoe zij er wel moest uitzien in haar druipenden mantel, met den nog natter kaper half van 't hoofd, in haar plompe schoenen en den staf in de hand!

Geen passende kleeding om gasten te begroeten," zeide zij en kleurde, iets dat onopgemerkt voorbij ging, want de snelle loop door de vochtige koude had haar gezicht al tot één blos gemaakt.

— Een passende kleeding voor een tocht bij wéér als van daag," antwoordde graaf Auersperg.

Roswitha sloeg de oogen op bij den vriendelijken klank met een lach en een blik van instemming.

Graaf Auersperg stond nog vóór haar en scheen er niet aan te denken haar den natten mantel af te nemen, een verzuim dat hij haastig trachtte te hertellen, toen zijn schildknaap vooruit

trad om dat te doen.

Maar Roswitha weerde beider hulp af, ook graaf Auerspergs uitnoodiging om neer te zitten in den door hem zoo juist verlaten grooten zetel, dien hij aanschoof met hoffelijk gebaar.

— Laat ik u niet storen Ik ga mij eerst verkleeden."

Daarna, bedaarder dan zij was gekomen, na een lichte

buiging en met een waardigheid die de weinig sierlijke kleeding deed vergeten, ging zij.

Sluiten