Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Verstijfd van de kou," merkte Gontram aan en klopte de eigen verstijfde armen.

Geen wonder. Het woei met verbazende kracht uit het Noord-Oosten. Roswitha moest zich aan een der kanteelen vasthouden om op de been te blijven. De vallende avond zou opnieuw vorst brengen.

Ik ga tante Gonda waarschuwen. Wij zullen hem iemand te gemoet zenden," zeide zij, en ging de trap weer af. Liefst zou zij hem zelf tegemoet zijn gegaan.

Tante Gonda gaf onmiddellijk aan haar verzoek gehoor. Uit de hoofdpoort kon men den bode zien, stijf en haast wezenloos op zijn vermoeiden klepper, die laatste met hangend hoofd en doorgebogen knieën.

Wolf zond onmiddellijk twee wapenknechten op hem af.

Hun hulp bleek niet te veel. Tusschen beiden in werd de vreemdeling den korten weg verder geleid. Onder de voorpoort liet hij zich van den zadel zakken, en scheen een bezwijming nabij.

— Breng hem in de wachtkamer," gebood Wolf. „De kou heeft hem bevangen."

Jonkvrouw Gonda en Roswitha gingen mee naar binnen.

— Niet te dicht op eens bij het vuur," gelastte de eerste. „De overgang kon te snel zijn."

De bode bekwam.

Uit de diepte van zijn lederen wambuis haalde hij een verzegeld perkament.

— Voor Ridder Dagobert," zeide hij, „en dat zoo gauw mogelijk."

— Een kleine vergissing ten gevolge van de koude," merkte Wolf halfluid aan terwijl hij jonkvrouw Gonda den brief overreikte. „Voor gaat bezwaarlijk, 't Zal wel van ridder Dagobert zijn."

Jonkvrouw Gonda en Roswitha gingen naar boven om den brief te lezen.

Sluiten