Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij stond haastig op.

— Wij willen allereerst werk maken van mijn brief aan graaf Auersperg, eerwaarde — een brief die evengoed voor hem als voor den Keizer bestemd zal zijn — den graaf danken voor zijn ridderlijk optreden en hem nogmaals onze belangen op het hart drukken. Meester Jodocus, ik doe dat bij u. Gij hebt gezien hoe uw boodschap ons verslagen heeft. Gij verstaat het waarheid van schijn te onderscheiden."

— Ik zal doen wat ik kan," antwoordde Jodocus eenvoudig. „Met welnemen van Uwe Edelheid zou ik graag morgen vroeg vertrekken. Men wacht mij in groote spanning terug. Ik kan niet

zoo snel achtereen reizen als anderen Wil van uw brief twee

afschriften laten maken, een voor mij en een voor den bode die mij voorafging. Voor het geval dat een van ons beiden iets mocht overkomen Men kan niet te voorzichtig zijn."

Wolf had geen woord gesproken. Wel had hij tien plannen voor één gehad, maar ze achtereenvolgens verworpen als onuitvoerbaar. Met een zucht ging hij heen en begon zijn ronde voor den nacht.

— Was ik meegegaan met Heer Dagobert, ik zou mij niet hebben laten vangen. Een mensch is geen mol! Waar een groote blijft hangen, ontsnapt licht een kleine," dacht hij. „Wij zouden meer weten dan nu. Het is een blind zoeken zonder spoor in alle streken, èn landen, èn burchten, èn steden. Verraad is er gepleegd. En geweld. En domheid," eindigde hij grimmig.

De vraag of Govert een rol in het gebeurde had gespeeld, drong zich aan hem op. Goverts afscheidsblik had hij niet vergeten! Govert had den tocht naar den Rijksdag meegemaakt. Hij was nieuwsgierig van aard. Wellicht had hij meer gezien of begrepen dan de anderen, toen ridder Dagobert met Godelieve was teruggekeerd. Wellicht vermoedde hij wie zij was — de gelijkenis met haar vader moest opvallen! Wellicht had hij schandelijk misbruik gemaakt van dat weten. O, als hij twee lichamen had gehad! Het eene om over den Valkenburcht te

Sluiten