Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wolf stond op de valbrug en keek de beide boden na, die den steilen bergweg afdaalden.

't Was voor de tweede maal dat hij de valbrug, die nu overdag opgehaald bleef, had moeten neerlaten; vader Hubertus was al vóór een uur uitgereden. Zoo vroeg was de waardige geestelijke in langen tijd niet op geweest.

Wolfs hart ging mee met de boden. Daar ging een nieuw tijdperk beginnen: een tijd van handelen. De nar had nieuwe veerkracht in den burcht gebracht.

— Zoo'n nar mag zeggen en doen bij de groote Heeren waarvoor een ander gehangen zou worden," peinsde hij. En dat de nar geen vijand meer was, achting had voor jonkvrouw Gonda en een bijna vaderlijke opmerkzaamheid voor Roswitha, was hem niet ontgaan

Hij werd in zijn gepeins gestoord door hoefgetrappel vlak achter hem.

Jonkvrouw Roswitha, diep in jonkvrouw Godelieves kaper en pij, die zij in de laatste dagen bij voorkeur bij het uitrijden gedragen had, reed hem rakelings voorbij en ook den weg af.

— Ik ga een eind mee," riep zij en dreef Freia aan.

Dat alleen uitrijden was Wolf niet naar den zin.

De paarden voor de ronde zadelen, dadelijk opzitten en de jonkvrouw achterna," gebood hij Hendrik, die gewoonlijk mee op verkenning uitging.

Hij was niet gerust vóórdat hij het gewapende zestal had zien afrijden. Daarna het hij de valbrug ophijschen, en de poorten sluiten.

Den nagezonden ruiters wachtte een straffe rit.

Ongeveer een kwartier later dan Roswitha waren zij uit-

Sluiten