Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De regen had opgehouden. In vuur ging de zon onder, en in dien vuurgloed rezen de torens en muren der veelgewenschte stad.

— Daar," zei de nar, „dat is Frankfort; en ginds ligt het kamp."

Doch plotseling brak hij af, richtte zich op in zijn stijgbeugels en tuurde, tuurde....

— Mijn oogen spelen mij parten; de zon verblindt. Kijk

uit, Koert."

Maar 't ging Koert als hem.

Geen tenten; geen gewapper van kleurige vaandels en banderollen en banieren.

De vlakte lag verlaten.

De nar zonk terug in zijn zadel.

— Te laat!" riep Koert.

— Te laat!" echoode vader Hubertus.

Niemand sprak langen tijd. Niemand durfde Roswitha aankijken.

Roswitha zat bleek en stil.

— Waar is de Keizer nu?" vroeg zij na een poos zeer zacht.

— Wij gaan naar Frankfort om het te vragen," antwoordde Jodocus.

— Naar Frankfort," herhaalde zij.

Het spreken viel haar moeilijk.

En zij reden door naar de sterke stad, die lag met muren en poorten en torens op de vlakte in den rooden avondgloed als een reusachtige geharnaste ridder in rust.

Sluiten