Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en verborgen onder het zwart fluweelen kapje dat veel had van een turksche muts en door de scholieren van dien tijd gedragen werd, en dat zoo gemakkelijk onder de kap der pij ging.

Daarna leunde zij de deur aan en zette zich neer op haar

bed.

Maar de ochtendkou deed zich gevoelen.

Huiverend sloeg zij het warme dek om zich heen, en torende de kussens achter hoofd en rug op.

Zoo wachtte zij, wachtte — tot op nieuw de moeheid haar overmande en zij in slaap zonk, vaster en dieper nog dan in den vóóravond.

Toen zij wakker werd, was het helder dag en levendig op straat. Een vriendelijke hand had de deur dichtgedaan. Het vertrek naast het hare, waar Jodocus en Koert geslapen hadden, was leeg.

Het daarop volgende niet. Zij hoorde vader Hubertus' zware ademhaling door de deur.

Ook beneden waren Jodocus noch Koert.

Jochem veegde den vloer aan, en zijn vrouw was bezig bij den haard.

Onopgemerkt sloop zij weer naar haar kamer. De drukte trok haar naar het venster. Zij leunde er uit, voor zoover de ijzeren staven dat toelieten. De hoop dat Govert nogmaals voorbij zou komen, dreef haar.

Karren, wagens, venters, gewapenden trokken voorbij, maar niemand die aan Govert deed denken.

Zij was al van zins haar standpunt te verlaten, toen een kleine oploop aan het einde der straat haar weer deed bhj ven: een zwaar bevrachte kar was in het oneffen plaveisel blijven steken en gekanteld. De voerman toornde, de voorbijgangers stonden nieuwsgierig stil, hielpen of gingen verder. Een man sloeg den hoek om, ging achterom de saamgeschoolden en met

Sluiten