Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór het vallen van den avond Arheiligen te bereiken. Dan over Darmstad den volgenden dag verder.

Vader Hubertus ging uit om proviand te koopen. Koert werd opgedragen de paarden te verzorgen en na te zien of er niets aan beslag, tuig of zadel haperde. Bij Roswitha werd aangedrongen dat zij nog wat rust zou nemen.

Jodocus ging naar de wacht om te hooren waar Govert was ondergebracht, en vergunnig te verkrijgen tot hem te worden toegelaten.

Govert had zich na heftigen tegenstand schijnbaar in zijn lot geschikt.

Hij was in een kelder onder het raadhuis gevoerd en zat er neer, het hoofd vol plannen.

Hij had nog niet den samenhang kunnen vinden tusschen den Frankforter knaap en ridder Dagobert. Had die laatste een zoon gehad en ware de afstand van den Valkenburcht niet zoo groot geweest, hij zou aan Roswitha hebben gedacht.

Maar de knaap leek hem grooter, kloeker en ernstiger dan Roswitha.

Wellicht zou hij toch tot het inzicht dat zij het was gekomen zijn, als niet zijn gedachten waren afgeleid.

De gevangenbewaarder liet een hem onbekend man binnen.

— Ik kom als oom van den knaap dien gij hebt willen dwingen mee te gaan," zeide Jodocus, zonder zich aan den blik vol minachting te storen waarmede Govert zijn kleine gestalte van het hoofd tot de voeten mat. „Het is gebleken dat je een gevaarlijker persoon bent, en meer straf verdient dan je nu voorloopig hebt. Die zal zich wel niet laten wachten, als je niet kunt bewijzen dat je met geen vijandige bedoelingen binnen Frankfort zijt gekomen, of door een dienst aan den Keizer of aan deze stad de overheid gunstiger voor je weet te stemmen."

— Een verdraaide boodschapper, en een verdraaid voorstel, smaalde Govert.

Hij wendde zich af of hij niets te zeggen had.

Sluiten