Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„hofnar van den Keizer" klonk als strijdleus van een ridder.

Voldaan keerde hij na zijn onderhoud in den „Blauwen Haan" terug en gaf verslag van zijn wedervaren.

Dat Govert niet zwijgen zou zoodra eigen behoud dit vorderde, stond bij hem vast.

Het was twee uur geworden vóórdat zij opzaten.

Het weer was gunstig; de regen had opgehouden.

Maar te Arheiligen kwamen zij niet. Al te Egelsbach moesten zij inkeeren. De wegen waren te slecht om daarop in donker voort te gaan.

— Dat scheelt ons twee uur," bromde Koert voor zich heen. „Een tocht van vertraging, zooals mijn tocht naar den Valkenbucht er een is geweest van rennen bij dag en nacht. En ik, Jonker Heribalds beste ruiter"

Hij had al lang allen willen vooruitstuiven en zijn meester den hem toevertrouwden brief brengen, zooals eerst afgesproken was. Maar Jodocus had hem niet laten gaan.

Niemand uit het geleide kon gemist worden.

Roswitha reed zwijgend, de oogen op het verwachte dat zoo langzaam naderde.

Zij had nu menigmaal een gevoel of zij met Freia zou willen doorhollen en niet ophouden voordat zij voor den Keizer stond, een gevoel of van één uur, een half uur vertraging beslissing en uitkomst afhing.

Elk oponthoud was een vuurproef voor haar wil en haar geduld. Met inspanning van alle kracht dwong zij zich tot kalmte: op het beslissend oogenblik moest zij krachtig en koel van hoofd zijn.

Waar zij voorbij kwamen of stilhielden werd gesproken over den weldra te leveren slag, over het voorttrekken der beide legers.

En over prins Hendrik — die niet bij zijn vader was.

Roswitha 12

Sluiten