Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den volgenden ochtend reden zij Arheiligen en Darmstadt voorbij en bereikten eindelijk den breeden, reeds door de Romeinen aangelegden weg langs de boschrijke westelijke hellingen van het Odenwald.

Laat in den avond van den daarop volgenden dag stegen zij af voor een kleine herberg in Eberbach.

Het groote haardvuur scheen warm en uitlokkend door de ramen naar buiten in den kouden nacht.

— Nu nog een korte dagreize, mijne dochter," voegde vader Hubertus haar toe na een kort gesprek met den waard. „De Keizer heeft zijn kamp voor Wimpffen opgeslagen."

— Drie dagen geleden zouden wij u niet hebben kunnen onderbrengen," vertelde de waard. „Alles in het dorp vol van doortrekkende troepen en m ij n huis overvol. Nu heb ik nog maar één enkelen gast, gisteren aangekomen en achtergebleven in ellendigen toestand, die ook naar Wimpffen wil. Alles trekt naar Wimpffen, waar het gauw warm zal toegaan en waar veel zal te verdienen zijn, hoe de slag ook uitvalt. Buit moet er altijd van de hand gedaan worden."

Geen der moede reizigers luisterde.

Roswitha, op een bank naast het vuur in afwachting dat hun eenvoudig maal gereed zou zijn, leunde het moede hoofd tegen den muur, vervuld van den grooten dag van morgen. Vader Hubertus peinsde over een toespraak waarmede hij Roswitha bij den Keizer zou steunen; Koert herdacht zijn snellen tocht waarvan hij zijn meester geen bizonderheden zou sparen; Jodocus overlegde in welke stemming zij den Keizer zouden vinden, en op welke wijze zij het snelst tot hem zouden komen Wat er over prins Hendrik werd gemompeld, stemde hem onrustig.

Vader Hubertus begeleidde Roswitha naar hare kamer en sprak met bewogen stem den zegen over haar uit.

— Moge de Heer zijn Heiligen gebieden u te steunen op uw vromen gang," eindigde hij.

Sluiten