Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na weinige oogenblikken konden zij onder geleide verder het kamp intrekken.

De tocht tusschen de ontelbare tenten was lang. Roswitha had den kaper diep over het voorhoofd getrokken. Haar oogen staarden zonder iets te zien.

Wat zij zag was de Keizer. Wat zij hoorde was zijn stem. En de hare.

Zij had zooveel en zoolang nagedacht over wat zij zeggen zou, dat de woorden als geschroefd leken in haar hoofd.

Die van de Keizer waande zij te kennen even goed als de hare.

Jodocus reed rustig door, maar na het overgaan der tweederinggracht en naarmate men het middelpunt van het kamp maderde werd hij levendiger.

Hij had zich schrap gezet, den kleinen hoorn aan den mond.

Beurtelings schalden zijn hoorn en zijn stem. Op zijn schel tata tarata, volgde zijn: „Ruim baan voor de boden van Ridder Dagobert van den Valkenburcht!"

Te vergeefs gebood de aanvoerder aan zijn geleide stilte. Jodocus stootte de vermanning met een grap af, of speelde den onnoozele.

Hij had het zich in het hoofd gezet dat velen zouden hooren. En velen hoorden. Uit, en achterom de tenten kwamen ze: speerknechten en boogschutters en trosknechten, schild- en edelknapen, ook ridders.

Een nieuwsgierige menigte gonsde achter hen aan, telkens aangroeiend.

Eindelijk kleurde het purperen keizerlijk paviljoen op achter de kleurlooze tenten. Nog een honderdtal passen en het plein daarvoor was bereikt.

— Tatarata", schalde Jodocus, en weer daarna zijn: „Ruim baan voor de boden van Ridder Dagobert van den Valkenburcht.

Sluiten