Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voorhang van een der groote tenten werd teruggeslagen en twee jonge ridders traden haastig op hem toe.

— Van ridder Dagobert van den Valkenburcht!" herhaalde de een en schoot zijn makker haastig voorbij. „Dat geeft een bodenloon waarvoor gij gouden bellen aan uw kap kunt koopen, meester Jodocus. Wij gaan met u."

Jodocus versnelde den tred van zijn muildier, zoodat er afstand kwam tusschen hem en de hem volgenden.

— Wordt er een spoedig samentreffen verwacht met den vijand?" vroeg hij om hun aandacht van Roswitha af te leiden.

— Meer dan waarschijnlijk, daar beide partijen het wenschen."

— Kan Uw Edelheid mij wellicht zeggen in welke stemming wij den Keizer zullen aantreffen, ridder Ruprecht?" vroeg Jodocus die bemerkte dat ook de tweede ridder telkens het hoofd naar Roswitha omwendde.

— Ridder Dagobert heeft wel een zeer jongen bode uitgekozen," zeide degeen die eerst gesproken had, Ehrenfried Bernsdorff.

Hij keek weer om, lang

Dat witte paard, dat fijne beloop van neus en kin van den jongen bode, even te zien onder de laag naar voren getrokken kap....

In het volgend oogenblik zou hij naast Roswitha zijn geweest, als Jodocus de beweging niet had voorzien en hem te vlug af ware geweest.

Jodocus had hem bij den arm vóórdat de jonge edelman zijn ingeving kon volgen.

— Bij uw riddereer, zoudt gij willen uitvorschen wat zoo kennelijk begeerd wordt nog te verbergen, ridder?" vroeg hij halfluid.

Ehrenfried kleurde en schudde Jodocus' hand af.

Jodocus bracht op nieuw zijn hoorn aan den mond en klaterde zijn tatarata door de lucht.

Sluiten