Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader Hubertus sloot den voorhang achter hem en zette zich naast de zieke.

Wat zou er volgen? Zou haar jonge kracht overwinnen?

Hij had het gevoel of die zou wegslippen in den gloed die haar verteerde. Of alles in één ondeelbaar oogenblik gedaan kon zijn.

Er werd zacht maar dringend geklopt.

Een bejaard edelman stapte binnen, op den voet gevolgd door een in deftig zwarten tabberd gekleed man.

Een geleerde, een medicijnmeester!

— Graaf Bernsdorff, vriend van ridder Dagobert," zeide de edelman, en, op zijn metgezel wijzend:

— Meester Antonius, lijfarts van den Keizer.

Dat gaf moed.

Hij stond niet meer alleen in zijn verantwoordelijkheid!

•— Zoo er iemand is die onze lieve jonkvrouw vermag te redden, is hij het," fluisterde graaf Bernsdorff. „Ik ben zooeven in het kamp terug gekomen. Wij, vrienden van ridder Dagobert hebben een moeilijken en vermoeienden tijd achter den rug. Altijd op weg om licht te vinden in de duistere zaak, die dank

dit dappere kind, niet langer meer duister is Graaf Auersperg

is in de richting van Gundelsheim gereden naar het klooster der Benediktijner-nonnen om persoonlijk met de abdis te spreken over het zenden van een bekwame pleegzuster. Een opdracht van den Keizer. Ik-zelf rijd met eenzelfde opdracht naar Wimpffen op den Berg om daar een meer geschikt onderkomen voor de jonkvrouw te zoeken."

Het onderzoek was afgeloopen. Meester Antonius wierp een gedeelte van het dek weg, waarmede de geestelijke in zijn bezorgdheid Roswitha had toegedekt.

Roswitha. 14

Sluiten