Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIX.

Een kleine woelige bende stond voor het klooster der Benediktijnernonnen aan den Rijn, de oogen op de poort die ieder oogenblik kon opengaan; een drukke levendige bende, stampend met de klompen op den hardbevroren grond om de voeten warm te houden, neus en kin in wollen halsdoek, de muts over voorhoofd en ooren; de meesten die van ver kwamen den zak met mondkost in de hand, waarin bij tusschenpoozen gegluurd en ook wel uit geproefd werd: stoere jongens en meisjes tot twaalf jaar toe, kleine kleuters van zes jaar af, allen leerlingen van de kloosterschool.

Die der Benediktijnernonnen was uren ver bekend, niet alleen aan den Rijn, maar ook in de dichtbije zijvalleien en werd vooral in den winter druk bezocht; dan konden de kinderen vader noch moeder bij den veldarbeid helpen en waren zij meteen veilig voor vele uren van den dag ondergebracht.

De wind blies fel en de wind was in de kinderen. Zij waren ongedurig en luidruchtig als nooit.

— Lieve zuster-portierster, doe open," neurieden een paar der stoutmoedigsten eerst halfluid en daarna luider, toen het wachten in de kou hun te veel werd. En een gebonk van groote en kleine roode knuisten begeleidde den zang.

Als een golf van drukte, de klompen uitgeschopt en in de hand, stroomden zij naar binnen toen de poort eindelijk geopend werd.

De stille statige kloostergang gonsde een oogenblik van jolig leven.

De schoolzaal stond open. Daarin stortten zij met luidruchtigen groet en luidruchtiger gebons. Zuster Agnes, het zachte taktvolle hoofd der school was weg, naar het zusterklooster in Wurtemberg, om daar behulpzaam te zijn bij het oprichten van

Sluiten