Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op nieuw waren edelen den Keizer afgevallen.

Namen die hem weinig zeiden. Hij kende de dragers niet persoonlijk. Maar het aangroeien van het aantal had hem verontrust. Meer dan vierhonderd ridders waren in korten tijd overgegaan, en daar zouden nog meer volgen.

En prins Hendrik had zich openlijk bij d'en Ebersteiner gevoegd!

De afval van den prins!

Wat hij voor onmogelijk had gehouden, was waar geworden!

Zijn arme Keizer!

Niet alleen de heerscher, maar ook de vader in hem gewond!

Prins Hendrik, zijn trots, zijn lievelingszoon, erfgenaam van zijn rijken!

Smart om zijn Keizer had voor het oogenblik elk ander gevoel in ridder Dagobert doen zwijgen.

Toen zijn kwelgeesten weg waren, had hij zijn venster opengeworpen en uitgestaard, hij wist niet hoelang.

Het flappend gordijn had hem gewekt uit zijn dof broeden.

Voor dè.t venster had hij menig uur doorgebracht, luisterend of niets, niets van buiten tot hem zou komen dat hoop gaf op ontzet.

Het waren altijd dezelfde geluiden geweest öm en in den burcht: hoorngetoet van de wacht op den hoofdtoren; het neerlaten of ophalen van de valbrug, het rukken aan hun halsters van paarden in de stallingen; stemmen in de gangen; een stap op het binnenplein....

Langzamerhand luisterde hij werktuigelijk ook nu.

Dezelfde geluiden, vermeerderd door het fluiten en gieren van den wind, het knarsen van een windvaan of het dichtslaan van deur of venster.

Weer had de hoorn getoet en was de valbrug neergegaan.

Uitzicht uit zijn vertrek op poort of poortgang had hij niet.

Een onbekende stem hoorde hij er. Wisseling van groet

Sluiten