Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graaf Eberstein en hij waren in den laatsten tijd kamergenooten geweest. Zoo langzamerhand was er wat vertrouwelijkheid tusschen beiden gekomen. Het vroeger samentreffen met Ehrenfrieds ouders te Frankfort had daartoe bijgedragen. Ook Godelieves komst, sedert een paar weken de stille geduldige verpleegster van haar vader.

Ehrenfried had graaf Bernsdorff zeer dringend verzocht hem een renbode te zenden zoodra ridder Dagobert was ontzet, en zijn oom was die belofte nagekomen.

Toen hij na het gehoorde in de ziekenkamer terug was gekeerd, had hij zijn blijdschap niet geheel voor den nog altijd scherpen blik van zijn kamergenoot kunnen verbergen.

— Ik wil weten wat gij hebt gehoord," had deze gezegd; „de hardste waarheid is nog altijd beter dan weeke onzekerheid; en niet te hard voor één, die nooit het harde heeft geschuwd. Om Godelieve wil ik weten

Ehrenfried had daarna niet gezwegen.

— Mijn hoop om den Keizer Godelieve en haar belangen aan te bevelen is niet vervuld. Z ij heeft opstand noch vergrijp

tegen hem gepleegd! Ik heb geen deel aan de oplichting

van den ridder van den Valkenburcht.... Ben dat eerst gewaar geworden toen het stoute plan was volvoerd. Draag Godelieve aan ridder Dagobert op. Hij kan verkrijgen wat hij wil bij den

Keizer Laat hij geen non van haar maken. Zij is beter waard.

Een man en kinderen om haar heen.... Beter.... Jammer en zonde van een als Godelieve! Geen heilige, een vrouw is zij. Een schat.... maar nog niet ontdekt

En hij had hem aan gekeken als had hij willen zeggen: „ben-je doof en blind om dat niet te zien?" — Roep Godelieve.... Neen, niet nu. Straks. Mijn groet en bede om vergiffenis aan haar. Ik ben tegenover haar te kort gekomen.... Ga nu."

Ehrenfried was gegaan en later teruggekomen met Godelieve.

De zieke had heel stil gelegen, nooit zoo stil en met zoo zachte vredige uitdrukking op het harde strenge gelaat.

Sluiten